• +088- 040 6600
  • info@tomtheorie.nl

Inrichtingseisen van de auto

Inrichtingseisen van de auto

You are here:

Inrichtingseisen AUTO

Inrichtingseisen waar een auto aan moet voldoen . Het ligt voor de hand dat niet alleen eisen worden gesteld aan de bestuurder, maar ook aan het voertuig. Daarom moet een auto voldoen aan enige inrichtingseisen.

Afmetingen en massa’s

Een personenauto mag maximaal 12 m lang zijn, 2,55 m breed en 4 m hoog. Het kentekenbewijs schrijft maximum-aslasten voor; deze mogen niet worden overschreden. Het kentekenbewijs schrijft ook een toegestane maximummassa voor. De totale massa van de beladen auto en de som van de aslasten mag niet meer zijn dan deze toegestane maximummassa.

Remmen

Een auto moet zijn voorzien van een bedrijfsrem (voetrem) die op alle wielen werkt en waarvan de remvertraging ten minste 5,2m/s2 bedraagt. Een auto moet ook zijn voorzien van een parkeerrem (handrem) die op tenminste twee wielen werkt.

Als er een defect aan het remcircuit ontstaat, is het niet zo dat het voertuig niet meer remt, want dan treedt de noodrem in werking d.w.z. als u de bedrijfsrem gebruikt remt deze toch nog (kruislings) op twee wielen. Ontstaat er een defect aan de bedrijfsrem op alle vier de wielen, dan gebruikt u de parkeerrem -die op ten minste twee wielen werkt- als noodrem.

Heeft u een hydraulisch remsysteem, dan mag de slag van het rempedaal niet door een aanslag beperkt worden. Het oppervlak van het rempedaal moet stroef zijn. Bij wielen met een schijfrem mag de remvoering bij draaien in beide richtingen enigszins slepen. Bij een trommelrem mag dat niet.

Bijna alle auto’s zijn voorzien van een Anti Blokkeer Systeem (ABS). Voordeel van dit systeem is dat bij een (nood)remming de wielen niet blokkeren, waardoor de auto bestuurbaar blijft. Dat is dus veel veiliger. Dat houdt niet in dat u dan sneller kunt gaan rijden. Een ABS zorgt niet altijd voor een kortere remweg!

Achteruitrijinrichting

Motorvoertuigen met een toegestane maximummassa van meer dan 400 kg moeten zijn voorzien van een achteruitrijversnelling. Het geluidssignaal dat dan te horen mag zijn is om andere weggebruikers erop attent te maken dat de achteruitrijversnelling van het voertuig is ingeschakeld.

Stuurinrichting

Een auto moet zijn voorzien van een deugdelijke stuurinrichting.

Richtingaanwijzers

Een auto moet 2 ambergele of witte richtingaanwijzers aan de voorkant hebben, 2 ambergele of rode aan de achterkant en, als de auto van 1998 of later is, 2 ambergele zijrichtingaanwijzers aan elke zijkant. Richtingaanwijzers aan de voorkant van de auto tellen ook als zijrichtingaanwijzer als het licht daarvan ook ambergeel is en schuin achter de auto te zien.

Waarschuwingsknipperlichten

Een auto moet zijn voorzien van waarschuwingsknipperlichten.

Claxon

Een auto moet zijn voorzien van een goed werkende claxon met één vaste toonhoogte. Een samenstel van zodanige, tegelijk werkende hoorns wordt als een hoorn beschouwd. Ook mag een geluids signaal aanwezig zijn om andere weggebruikers erop attent te maken dat de achteruitrijversnelling is ingeschakeld, alsmede een geluidssignaal om ongeoorloofd gebruik of diefstal van het voertuig te voorkomen.

Snelheidsmeter

Een auto moet zijn voorzien van een goed werkende snelheidsmeter, die ook bij nacht voor de bestuurder goed afleesbaar is.

Spiegels

Personenauto’s van na 25 januari 2010 moeten zijn voorzien van een linker buitenspiegel, een rechter buitenspiegel en een binnenspiegel. Als bij zo’n auto met de binnenspiegel het achter de auto gelegen weggedeelte niet voldoende kan worden overzien, hoeft deze niet aanwezig te zijn.

Personenauto’s van vóór 26 januari 2010 moeten zijn voorzien van een linker buitenspiegel en een binnenspiegel. Een rechter buiten spiegel is verplicht als met de binnenspiegel het achter het voertuig gelegen weggedeelte niet vol doende kan worden overzien. Als de binnenspiegel geen zicht naar achteren mogelijk maakt, hoeft de binnenspiegel niet aanwezig te zijn. Het spiegelglas mag geen breuken vertonen en niet ernstig zijn verweerd.

1: Dit gedeelte, de zogenaamde dode hoek, ziet u niet in de spiegel. U moet er voor over uw schouder kijken.

2: Het gezichtsveld van de bestuurder in de buitenspiegels.

3: Het gezichtsveld van de bestuurder in de binnenspiegel.

Autospiegels dode hoek

Ruiten

Een auto mag volgens de inrichtingseisen uitsluitend zijn voorzien van een voorruit en zijruiten die geen beschadigingen of verkleuringen (folie) vertonen en mogen niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen die het uitzicht van de bestuurder belemmeren. Als de auto niet is voorzien van een rechter buitenspiegel geldt dat ook voor de achterruit.

Ruitenwissers, ruitensproeier en voorruit verwarming

Personenauto’s met een voorruit moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitenwisserinstallatie die de bestuurder voldoende uitzicht geeft.

Autogordels

Een personenauto in gebruik genomen na 30 september 2000 moet op alle zitplaatsen, naar voren en naar achteren gericht, gordels hebben. Is de auto van na 31 december 1989, maar vóór 1 oktober 2000, dan moet op de naar voren gerichte zitplaatsen een gordel zitten. Is de auto van vóór 1 januari 1990, dan hoeven er alleen gordels te zijn voor de zitplaats van de bestuurder en de zitplaats naast hem, grenzend aan het portier.

Gordels moeten een goed werkende sluiting en blokkeerinrichting hebben. Het oprolmechanisme moet zo goed werken dat de gordel aanligt na het omdoen.

Schokdempers en draagveren

Een auto moet zijn voorzien van goedwerkende schokdempers en draagveren.

Uitlaat en geluiddemper

Een auto met een verbrandingsmotor moet zijn voorzien van een uitlaatsysteem dat over de gehele lengte gasdicht is, met uitzondering van de afwateringsgaatjes. Het uitlaatsysteem moet deugdelijk zijn bevestigd. De uitstoot van schadelijke stoffen mag niet groter worden dan de waarde waarvoor het type auto is goedgekeurd. Hetzelfde geldt voor de geluidsproductie, de waarde vermeld in het kentekenregister mag met niet meer dan 2 dB worden overschreden.

Banden

De inrichtingseisen verlangen dat de wielen van een auto moeten zijn voorzien van luchtbanden. De banden mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is en mogen geen uitstulpingen vertonen. De profilering van de hoofdgroeven van de banden moet over de gehele omtrek van het loopvlak ten minste 1,6 mm bedragen, met uitzondering van slijtage-indicatoren. De banden mogen niet zijn opgesneden en het loopvlak mag geen metalen elementen bevatten (spijkerbanden) die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken. De banden op één as moeten dezelfde maataanduiding hebben.

Inrichtingseisen - autobanden

Banden moeten de door de voertuigfabrikant voorgeschreven bandenspanning hebben. Controleer daarom regelmatig de in het onderhoudsboekje vermelde bandenspanning. Deze varieert bij verschil in belading.

Auto’s die zijn uitgerust met een noodreservewiel (thuiskomer) mogen -ondanks een afwijkende bandenstraal en karkasstructuur- in geval van nood dit reservewiel gebruiken. Het weggedrag, met name de snelheid (maximaal 80 km per uur), moet dan wel worden aangepast.

Houd er bij de keuze van nieuwe banden rekening mee dat, over het algemeen gesproken, extra brede banden minder snel het water af kunnen voeren dan een normale band. De kans op aquaplaning kan daarom groter zijn.

Bandenlabel

Nieuwe autobanden moeten zijn voorzien van een bandenlabel. Dit label (etiket) laat zien in hoeverre de band zuinig, veilig en milieuvriendelijk is. U kunt deze informatie gebruiken bij de keuze van het soort band voor uw auto.

Het label geeft informatie over 3 belangrijke eigenschappen van een autoband:

  • Het brandstofverbruik.

Minder brandstofverbruik betekent lagere brandstofkosten en minder uitstoot van CO2.

  • De grip op een nat wegdek.

Door een betere grip op het wegdek ontstaat er een verbetering van de remprestatie. Hierdoor kan de remweg worden verkort.

  • Het verkeerslawaai dat de band veroorzaakt.

Dit lawaai geeft overlast aan de omwonenden en de natuur.

Winterbanden

Rubber wordt bij lagere temperaturen harder. Door deze verharding verliezen zomerbanden bij kou de optimale grip op het wegdek. Winterbanden hebben een zachtere rubbersamenstelling en bovendien een ander profiel. Met name onder winterse omstandigheden bij sneeuw en sneeuwmodder presteren winterbanden veel beter dan zomerbanden. In de zomer bij hoge temperaturen zal een zachter rubber harder slijten en heeft u met winterbanden een langere remweg dan met zomerbanden. Verstandig is om de banden te wisselen als de temperatuur constant boven (zomerbanden) of onder (winterbanden) de 6 tot 10 graden Celsius is.

Een winterband is een band die onder winterse omstandigheden goede grip biedt.

Winterbanden hebben naast een zachtere rubbersamenstelling ook een grote hoeveelheid lamellen in het profiel. Een indicatie voor wintereigenschappen van een band is het sneeuwvlok symbool. Het symbool geeft slechts aan dat de band voldoet aan minimale eisen m.b.t. het rijden onder winterse omstandigheden.

Het bandenprofiel moet wettelijk minimaal 1,6 mm zijn, voor winterbanden wordt tenminste 4 mm aanbevolen. De optimale prestatie van een winterband ligt volgens de meeste producenten rond de 7 graden Celsius.

All-season banden

All-season banden presteren in de zomer beter dan winterbanden, maar ook met deze banden zijn de remprestaties bij hoge temperaturen minder dan van zomerbanden. Andersom geldt ook dat all-season banden in de winter beter scoren dan zomerbanden, maar slechter dan winterbanden.

Verlichting voorzijde

Een auto mag -met uitzondering van groot licht- niet zijn voorzien van verblindende verlichting. Een auto moet zijn voorzien van twee grote lichten, twee dimlichten en twee stadslichten. De verlichting moet wit of geel zijn, van gelijke sterkte en goed werken. De dimlichten moeten juist zijn afgesteld.

Uw auto moet aan de voorzijde zijn voorzien van stadslicht, dimlicht, groot licht, richtingaanwijzers, waarschuwingsknipperlichten en een goedgekeurde kentekenplaat.

Dagrijlicht

Sinds 7 februari 2011 moeten nieuw (typegoedkeuring) op de markt gebrachte personenauto’s en lichte bestelauto’s voorzien zijn van dagrijlichten. De dagrijlichten (veelal LEDverlichting) bevinden zich aan de voorkant van de auto, zijn naar voren gericht en stralen wit licht uit. De inrichtingseisen zijn dat deze lichten automatisch gaan branden als de motor wordt gestart.

Als de koplampen of mistlichten worden ontstoken moeten de lichten automatisch doven. Als de dagrijlichten branden is het niet mogelijk dat andere verlichting, zoals achterlichten en kentekenplaatverlichting, ontstoken wordt.

De dagrijlichten beogen de zichtbaarheid van auto’s overdag te verhogen. Door deze maatregel wordt het voeren van verlichting overdag geleidelijk ingevoerd.

Mistachterlicht

Een auto moet voorzien zijn van één mistachterlicht. Een tweede licht is toegestaan. Op het dashboard van de auto moet een controlelampje gaan branden als er mistachterlichten branden.

Achteruitrijlicht

Een auto moet zijn voorzien van één achteruitrijlicht. Een tweede licht is toegestaan. Deze lichten mogen uitsluitend branden als de achteruitversnelling is ingeschakeld en tijdens het achteruitrijden.

Markeringslichten

Een auto die breder is dan 2,10 m moet zijn voorzien van twee witte markeringslichten aan de voorzijde en twee rode aan de achterzijde.

Zijmarkeringslichten

Een auto die langer is dan 6 m moet aan elke zijkant zijn voorzien van ambergele zijmarkeringslichten.

Achterlicht

Een auto moet voorzien zijn van twee (rode) achterlichten die steeds tegelijk moeten branden met het stadslicht, dimlicht, groot licht of mistlicht.

Retroreflectoren

Een auto moet aan de achterzijde zijn voorzien van twee niet-driehoekige rode retroreflectoren.

De retroreflectoren mogen ook in het glas van de achterlichten zijn aangebracht.

Een auto die langer is dan 6 m moet aan elke zijkant zijn voorzien van tenminste twee niet-driehoekige ambergele retroreflectoren.

Remlicht

Een auto moet zijn voorzien van drie remlichten, waarvan er één op het midden van de achterzijde van de auto is aangebracht (auto’s in gebruik genomen vóór 1-10-2001 moeten minimaal twee remlichten voeren). De inrichtingseisen zijn dat de remlichten moeten helder rood licht uitstralen als de bedrijfsrem wordt bediend en moeten uitgaan als er niet meer wordt geremd.

Kentekenplaat

Een auto moet zowel aan de voor- als aan de achterzijde zijn voorzien van goedgekeurde gele GAIK kentekenplaten. GAIK staat voor Gecontroleerde Afgifte en Inname Kentekenplaten. De platen moeten goed zichtbaar en leesbaar zijn en mogen niet geheel of gedeeltelijk zijn afgedekt door bijvoorbeeld een trekhaak of lading.

Kentekenplaatverlichting

Een auto moet gezien de inrichtingseisen aan de achterzijde zijn voorzien van kentekenplaatverlichting. Deze verlichting moet gelijktijdig branden met het stadslicht, dimlicht, groot licht of mistlicht.

Toegestane voorzieningen

Alle auto’s mogen zijn voorzien van:

  • twee mistlichten aan de voorzijde;
  • bochtlichten;
  • hoeklichten;
  • werklichten;
  • zijmarkeringslichten;
  • twee extra richtingaanwijzers aan de achterzijde;
  • één extra zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant;
  • extra waarschuwingsknipperlichten aan de achterzijde;
  • ambergele retroreflectoren aan elke zijkant;
  • twee witte retroreflectoren aan de voorzijde;
  • extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten;
  • parkeerlichten, als de auto niet langer is dan 6 m en/of niet breder is dan 2 m;
  • twee markeringslichten aan de voorzijde en twee aan de achterzijde als de auto breder is dan 1,80 m;
  • een ruitenwisser voor de achterruit.
  • een reservewiel met voldoende profieldiepte (1,6 mm) en een juiste bandenspanning.

Het is raadzaam om steeds een gevarendriehoek, reservelampen, zekeringen en een reservewiel in de auto bij u te hebben.

RuudBrocken