• +088- 040 6600
  • info@tomtheorie.nl

Maximum snelheid

Maximum snelheid

You are here:

Maximum SNELHEID

De Maximum Snelheid in het verkeer is een belangrijke factor

Snelheid is misschien wel de belangrijkste factor in het verkeer. En juist die factor hebt u zelf in de hand. Als bestuurder bepaalt u hoe hard er gereden wordt. Uiteraard is de snelheid waar de andere bestuurders mee rijden ook van invloed. Misschien moeten we wel zeggen dat de snelheid ongevalsoorzaak nummer 1 is. In diverse situaties wordt er te snel gereden en wordt ook de naderingssnelheid van anderen onderschat. Een goed voorbeeld daarvan is een botsing op een kruispunt tussen een motorfiets en een auto. Dit is de grootste oorzaak van motorongevallen. Natuurlijk hangt dit in grote mate samen met het verkeersinzicht en het rijgedrag van de betrokkenen. Een agressief rijgedrag leidt veelal tot problemen, terwijl een defensief rijgedrag veel veiliger is. De snelheid is veelal lager en u hebt meer tijd om te reageren als anderen een fout maken of zich asociaal gedragen.

Het regelen van de snelheid

bord 120 km/uur

Bestuurders moeten in staat zijn hun voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover zij de weg kunnen overzien en waarover deze vrij is. Waarover u de weg kunt overzien betekent: dat de snelheid moet zijn aangepast aan onoverzichtelijke bochten, hellingen, bomen en andere begroeiingen en geparkeerde voertuigen. Waarover de weg vrij is betekent: de afstand tussen u en de dichtstbijzijnde voorligger. Dat betekent dat met welke snelheid u ook rijdt, u binnen een veilige afstand moet kunnen stoppen.

 

Bij het veilig tot stilstand brengen van een voertuig zijn drie factoren van belang. Dat zijn de snelheid, de weg afgelegd tijdens de reactietijd en de remvertraging. De remweg en de reactieweg vormen samen de stopafstand.

Remweg

De remweg is de afstand die u nodig heeft om tot stilstand te komen, gemeten vanaf het eerste moment dat u bent begonnen te remmen. De remweg hangt af van twee factoren: uw snelheid en de gemiddelde remvertraging die u haalt. Met vertraging bedoelen we het aantal km per uur dat uw snelheid elke seconde minder wordt. Rijdt u aan het begin van een remmanoeuvre bijvoorbeeld 100 km per uur en rijdt u een seconde later nog maar 90 km per uur dan is uw vertraging 10 km per uur per seconde.

Als u het leuk vindt kunt u de hierna volgende rekenvoorbeelden volgen.

De sommen zijn echter géén examenstof. Voor de berekeningen wordt de snelheid uitgedrukt in m/s.

Eén kilometer is 1.000 meter. Eén uur is 60 minuten. Eén minuut is 60 seconden. Eén uur is dus (60 x 60 is) 3.600 seconden. Eén km per uur is dus 1.000 m per 3.600 seconden. Eén km per uur is dus 1:3,6 m/s. Om van km per uur (km per uur) naar m/s te komen moet u de snelheid delen door 3,6. Voorbeelden: 18 km per uur is 5 m/s, 36 km per uur is 10 m/s, 72 km per uur is 20 m/s, 108 km per uur is 30 m/s.

Een remvertraging van 36 km per uur per seconde kunt u dus ook schrijven als (36 : 3,6 is) 10 m/s per seconde. We schrijven dat op als m/s2. Hier staat niets anders dan ‘meters per seconde per seconde‘.

Nu kunt u de remweg uitrekenen: u moet onthouden: remweg = V2 : (2 x a).

Hier staat niets anders dan dat uw remweg het kwadraat van uw snelheid is, gedeeld door twee maal uw remvertraging.

‘Kwadraat‘ betekent: iets maal zichzelf. Twee kwadraat betekent: 2 x 2.

We geven meteen een voorbeeld. U rijdt 36 km per uur op een schoon en droog wegdek en moet gaan remmen. U haalt daarbij een remvertraging van 10 m/s2. Vraag: wat is uw remweg? Daartoe rekent u de snelheid eerst om van km per uur naar m/s: 36 km per uur is (36 / 3,6 is) 10 m/s.

Nu kunt u de remweg berekenen:

Remweg = 10 x 10 : 2 x 10 = 5 m.

Nog een voorbeeld. U rijdt 108 km per uur en uw remvertraging op een nat en niet zo schoon wegdek is maar 4,5 m/s2.

Snelheid = 108 km per uur : 3,6 = 30 m/s Remweg = 30 x 30 : 2 x 4,5 = 900 : 9 = 100 m.

Wat u zich moet realiseren is dat uw remweg toeneemt met het kwadraat van uw snelheid: als u twee maal zo hard gaat rijden wordt uw remweg (2 x 2 is) vier maal zo lang. Gaat u in plaats van 30 km per uur een snelheid rijden van 90 km per uur (dat is drie maal zo hard) dan wordt uw remweg (3 x 3 is) negen maal zo lang.

Reactieweg

Om te zien of u een obstakel door te remmen al dan niet gaat raken, bent u er nog niet. Op het moment dat u een obstakel ziet, begint u niet meteen te remmen. Eerst schrikt u, dan bedenkt u of u iets moet doen en zo ja, wat. Dan begint u pas te remmen. In die schrik- en bedenktijd (ook wel reactietijd genoemd) rijdt u wel door met uw beginsnelheid. Laten we eens aannemen dat u een reactietijd van één seconde nodig heeft om te bedenken dat u moet gaan remmen en dat uw beginsnelheid 108 km per uur is. In die seconde legt u dan 108 : 3,6 is 30 m af. Uw reactieweg is dus 30 m.

Stopafstand

Om het effect van de reactietijd mee te nemen in de afstand die u nodig heeft om tot stilstand te komen, hanteren we dus het begrip ‘stopafstand’. De stopafstand is de reactieweg + remweg.

We nemen het tweede voorbeeld van de remweg hiervoor en bepalen de stopafstand. Snelheid 108 km per uur; reactietijd 1 seconde; remvertraging 4,5 m/s2. Uw stopafstand is dan (reactieweg + remweg) 30 m + 100 m = 130 m.

Remweg autoweg

Voor een veilige stopafstand is het afstandhouden van belang. Goede hulpmiddelen zijn daarbij de 2-secondenregel en de methode van de helft van de gereden snelheid + 10%. Bijvoorbeeld bij 80 km per uur 44 m (40 + 4).

Wisselende omstandigheden

Om de snelheid veilig te kunnen regelen moet u ook rekening houden met:

  • de soort weg, zoals een erf, woonstraat, winkelstraat, landweg, autoweg of autosnelweg;
  • de conditie van het wegdek, denk aan zand, grind, losliggende stenen, gaten, sporen, wildroosters, bladeren, klinkers, kasseien, beton, ZOAB asfalt, drempels,

spoorvorming of andere oneffenheden;

  • de weersomstandigheden, bijvoorbeeld regen, wind, hagel en vorst;
  • plaatsen, zoals lange bruggen en dammen, waar door bord J31 gewaarschuwd wordt voor zijwind;
  • het zicht, denk aan sneeuwval, rookontwikkeling en mist;
  • de dichtheid van het verkeer, zoals de afstand die bestuurders onderling aanhouden, verkeersdrukte, fietsers, snorfietsers, bromfietsers en de aanwezigheid van voetgangers en kinderen;
  • de toestand van uw voertuig, bijvoorbeeld banden, remmen, vering en schokdemping;
  • de lading in of op uw voertuig, met name de hoogte, lengte en breedte en stabiliteit; – het slepen van een (defect) voertuig.

In sommige gevallen en bij weeromstandigheden die het zicht of de remweg kunnen beïnvloeden is het dus verstandig om wat meer afstand te houden dan 2 seconden.

U moet in staat zijn uw snelheid te minderen of te stoppen wanneer dat nodig is, vooral bij mist of andere weersomstandigheden die het zicht belemmeren. Als u uw snelheid gaat minderen of gaat stoppen, moet u dit tijdig en duidelijk kenbaar maken met de remlichten. In gevaarlijke situaties, bijvoorbeeld bij files, mag u daarbij ook de waarschuwingsknipperlichten gebruiken. U mag niet onnodig langzamer rijden dan het overige verkeer ter plaatse wanneer u het daarmee hindert of de veiligheid in gevaar brengt.

Wielspin

Bij wielspin blijven de aangedreven wielen doordraaien zonder dat de auto overeenkomstig vooruitrijdt. Dat komt doordat de omtrek van de band meer afstand aflegt dan dat de auto zich daadwerkelijk verplaatst.

Factoren die invloed hebben op wielspin:

– het wrijvingscoëfficiënt tussen band en wegdek; – het vermogen (koppel) naar de wielen.

U kunt wielspin voorkomen of de kans daarop verminderen door:

  • een juiste bandenspanning;
  • een goede en de juiste soort banden;
  • een goede belading;
  • een juiste dosering van het gas.

Aquaplaning

Nederland is een echt regenland waardoor het wegdek vaak nat is en blijft. Het gebruik van ZOAB (Zeer Open Asfalt Beton) heeft het voordeel dat regenwater snel wordt afgevoerd. Ook goede banden met een juiste profieldiepte kunnen het water redelijk snel afvoeren, ook bij hogere snelheden.

Om de kans op ongevallen zo klein mogelijk te houden, is het van groot belang dat water op het wegdek zo snel mogelijk wordt afgevoerd. Want bij rijden op een nat wegdek wordt het zicht beperkt door opspattend water. Ook zijn de strepen op het wegdek slechter zichtbaar door het water en het spiegelende wegdek.

Bij aquaplaning gaat het contact met het wegdek verloren als gevolg van de aanwezigheid van een waterfilm tussen de band en het wegdek. Aquaplaning kan leiden tot volledig controleverlies over de auto. Sturen, remmen en gas geven hebben geen enkel effect meer. De auto volgt zijn eigen koers. Pas als de band weer contact heeft met het wegdek kan de bestuurder de auto weer onder controle krijgen.

Regen en het opspattende water van uw voorliggers kunnen er voor zorgen dat u weinig zicht hebt. Ook hier kan vrij snel aquaplaning optreden. Pas uw snelheid daarop aan.

Rijden door plassen is bijzonder gevaarlijk omdat dat aquaplaning kan veroorzaken. Het staat vast dat regenval en water op het wegdek samengaan met een verhoging van het aantal ongevallen. Kennelijk houdt de weggebruiker onvoldoende rekening met deze omstandigheden.

Markeringen op de weg blijven beter zichtbaar naarmate zij een grotere dikte hebben.

Een dikke markering steekt namelijk eerder door de waterfilm op het wegdek heen. Maar achter ‘dikke’ markeringen kan water blijven staan, waardoor het gevaar van aquaplaning kan ontstaan. Er moeten voorzieningen worden getroffen voor de afwatering. Dat kan door op regelmatige afstanden (bijvoorbeeld 1 m) de markering over ongeveer 3 à 5 cm te onderbreken.

De volgende factoren zijn van invloed op aquaplaning:

  • de aard, gesteldheid en ruwheid van het wegdek;
  • de dikte van de waterfilm op het wegdek;
  • eigenschappen en profieldiepte van de band (minimaal 1,6 mm);
  • de bewegingen van de band ten opzichte van het wegdek;
  • de rijsnelheid;

Het beste kunt u aquaplaning voorkomen door in die gevallen tijdig uw snelheid aan te passen en de auto te voorzien van goede banden. Overkomt u het toch? Laat dan het gas los, trap de koppeling in, blijf rechtuit sturen en rem niet. Zo is de kans het grootst dat uw auto weer snel contact maakt met het wegdek en u de auto weer onder controle hebt.

Spoorvorming

Spoorvorming ontstaat doordat vooral zware voertuigen op dezelfde rijstrook rijden. Vrachtauto’s rijden doorgaans rechts en zijn zwaar. Als de temperatuur buiten hoog is, smelt het asfalt min of meer en wordt het door die zware vrachtauto’s opzij geduwd met als gevolg spoorvorming.

Spoorvorming op de weg kan bij regenval leiden tot plassen waarin al gauw een waterhoogte van één of meer millimeters ontstaat. Daardoor verhoogt spoorvorming de kans op contactverlies van de band met de weg met als mogelijk gevolg aquaplaning.

Er worden wel groeven dwars over de weg gefreesd van 4 á 5 mm breed en diep, waardoor het regenwater naar de berm afgevoerd kan worden. Ook worden dergelijke gootjes wel eens in de lengte-richting van de weg aangebracht om het wegdek ruwer te maken. Deze langsgroeven hebben echter het nadeel dat motorrijders er hinder van ondervinden.

Snelheidsvermindering is de beste aanpassing bij een nat wegdek. Remmen vergroot echter de kans op contactverlies met de weg, zodat een snelheidsvermindering voorzichtig moet worden uitgevoerd.

Ook de eigenschappen van een band hebben invloed op het contact met het wegdek. Het bandenprofiel is vooral van belang voor een goede afwatering. Veel diepe en goed gespreide profielgroeven zijn nodig voor een goede afwatering. De afwateringscapaciteit van een band verslechtert echter sterk als de profieldiepte minder is dan 2 mm.

Na een langdurige periode van droogte en mooi weer ontstaat bij beginnende regen een dunne en gladde laag op het wegdek waardoor (vooral bij hoge snelheden) gemakkelijk het contact met de weg verloren kan gaan.

Sporen in het wegdek zijn gevaarlijk omdat het ‘in rechte lijn‘ rijden ernstig wordt beïnvloed. Als tijdens nat weer in deze sporen water staat, treedt er -bij een bepaalde snelheid- aquaplaning op. Dat is een gevaarlijk verschijnsel. De banden hebben, zoals bij ijzel, dan geen contact meer met het wegdek. Tussen de band en het wegdek bevindt zich dan een dunne ‘harde‘ waterlaag.

Maximumsnelheid binnen de bebouwde kom

Het begin van de bebouwde kom wordt door bord H1 met de plaatsnaam aangegeven. Onder de plaatsnaam kan de gemeentenaam zijn vermeld. Voor motorvoertuigen geldt binnen de bebouwde kom een maximumsnelheid van 50 km per uur. Voor landbouw- en bosbouwtrekkers en motorvoertuigen met beperkte snelheid 25 km per uur. Voor bromfietsen en gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een motor, 30 km per uur op een fiets-/bromfietspad en 45 km per uur op de rijbaan, voor snorfietsen 25 km per uur en voor brommobielen 45 km per uur. Gehandicaptenvoertuigen die gebruik maken van het trottoir of voetpad mogen maximaal 6 km per uur rijden, zij moeten zich aanpassen aan de voetgangers.

De wegbeheerder heeft de mogelijkheid om binnen de bebouwde kom een afwijkende (hoger of lager) maximumsnelheid vast te stellen. Dat wordt kenbaar gemaakt door middel van verkeersborden of elektronische signaleringsborden:

  • door bord A1 aangeduide wegen of zones kan een maximumsnelheid van 30 km per uur, of 70 km per uur worden aangegeven;
  • op de door bord G5 aangeduide erven mogen bestuurders niet sneller rijden dan 15 km per uur.

U mag in de gehele zone binnen de bebouwde kom niet sneller rijden dan 30 km per uur.

Maximumsnelheid buiten de bebouwde kom

Het einde van de bebouwde kom wordt door bord H2 aangegeven. Voor motorvoertuigen gelden buiten de bebouwde kom de volgende maximumsnelheden:

  • op autosnelwegen: 130 km per uur;
  • op autowegen: 100 km per uur;
  • op andere wegen: 80 km per uur;
  • voor motorvoertuigen met aanhangwagen, vrachtauto‘s, autobussen en kampeer-auto’s van de categorie bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3500 kg geldt op alle wegen buiten de bebouwde kom een maximumsnelheid van 80 km per uur. Deze maximumsnelheid blijft voor deze groep weggebruikers ook van kracht als verkeerstekens een hogere maximumsnelheid aangeven dan hun vastgestelde maximumsnelheid;
  • een T100-bus mag op een autoweg en autosnelweg 100 km per uur;
  • voor personenauto’s, bestelauto’s, motorfietsen, driewielige motorvoertuigen en T100-bussen, die een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3500 kg voortbewegen, op auto(snelwegen) 90 km per uur.

Voor landbouw- en bosbouwtrekkers en motorvoertuigen met beperkte snelheid geldt een maximumsnelheid van 25 km per uur. Voor bromfietsen en gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een motor is dat 40 km per uur op een fiets-/bromfietspad en 45 km per uur op de rijbaan. Voor snorfietsen geldt 25 km per uur en voor brommobielen 45 km per uur. Gehandicaptenvoertuigen die gebruik maken van het trottoir of voetpad mogen maximaal 6 km per uur rijden, zij moeten zich aanpassen aan de voetgangers.

Ook buiten de bebouwde kom heeft de wegbeheerder de mogelijkheid met verkeersborden of elektronische signaleringsborden een afwijkende maximumsnelheid vast te stellen. Een lagere maximumsnelheid betekent dat u meestal meer ingewikkelde en/of gevaarlijke situaties kunt verwachten zoals: wegreconstructies, onoverzichtelijke bochten en hellingen, gevaarlijke kruispunten en rotondes.

Let op, als binnen of buiten de bebouwde kom bord A2 (einde maximumsnelheid), of bord F8 (einde van alle door verkeersborden aangegeven verboden) of bord F9 (einde van alle op een elektronisch signaleringsbord aangegeven verboden) is geplaatst, dan geldt ter plaatse weer de normale maximumsnelheid. Dat geldt ook als na een verharde zijweg of na een verhard kruispunt de afwijkende maximumsnelheid niet wordt herhaald

De maximumsnelheden, zowel binnen als buiten de bebouwde kom, gelden slechts als er niet op grond van andere regels een lagere maximumsnelheid van kracht is. Als er op zowel de rijstrooklichten als de F9 verkeersborden een maximumsnelheid wordt aangegeven, geldt de laagste aangegeven maximumsnelheid.

60 km per uur zone

In het kader van ‘duurzaam veilig‘ brengt de wegbeheerder op plaatsen direct buiten de bebouwde kom, daar waar dit noodzakelijk is, 60 km per uur zones aan.

Overtreding maximumsnelheid

Bestuurders die de toegestane maximumsnelheid met meer dan 50 km per uur overschrijden, lopen het risico dat zij ook hun rijbewijs en/of auto meteen bij de politie moeten inleveren.

Herkenbaarheid van wegtypen

Buiten de bebouwde kom gelden verschillende maximumsnelheden. Op autosnelwegen is de maximumsnelheid 130 km per uur, maar op sommige gedeelten 100 of 120 km per uur. Op autowegen mag u maximaal 100 km per uur. Op overige wegen is de maximumsnelheid 80 km per uur, maar ook steeds vaker 60 km per uur. Deze onduidelijkheid is niet goed voor de verkeersveiligheid en daarom wordt hier iets aan gedaan. In de toekomst kunt u aan de belijning van een weg zien hoe snel u mag rijden.

Wegbeheerders hebben met elkaar afgesproken drie typen wegen bij de eerstvolgende grote onderhoudsbeurt een nieuwe inrichting te geven. Uit die inrichting kunt u de maximumsnelheid op die weg herkennen. U zult deze inrichting van wegen dus steeds meer tegenkomen. Let er wel op dat het nog jaren zal gaan duren voordat dit overal is aangepast. De maximumsnelheid zal daarom gewoon door borden worden aangegeven.

Stroomwegen

In plaats van een enkele asstreep vindt u hier een dubbele, met groen gevulde asstreep. Zoals u heeft kunnen lezen kunt u aan de middenstreep zien of u mag inhalen of niet. Is de asstreep aan uw kant onderbroken, dan mag u inhalen; is hij doorgetrokken, dan niet.

Dubbele asstreep met groene vulling: (autoweg) maximaal 100 km per uur.

Gebiedsontsluitingswegen

Ook hier vindt u een dubbele asstreep in plaats van een enkele. Deze is aangebracht om weggebruikers extra alert te maken op het gevaar van inhalen. U vindt op dit soort wegen ook wel eens een middenberm. Daarnaast heeft dit type weg onderbroken kantstrepen die aangeven dat er weggebruikers kunnen oversteken, de weg kunnen oprijden of vaart kunnen minderen om af te slaan. In landelijk gebied kunt u hier langzaam rijdend landbouwverkeer tegenkomen.

Erftoegangswegen

De asstreep verdwijnt op deze wegen omdat snelle en langzame verkeersdeelnemers hier samen gebruik moeten maken van dezelfde weg. Er liggen huizen aan en er komen uitritten op uit. Hierdoor kunnen grote snelheidsverschillen tussen weggebruikers voorkomen, bijvoorbeeld als u met uw auto langs fietsers of wandelaars rijdt of als een auto vóór u afremt om een uitrit in te rijden. Het weghalen van de asstreep zorgt ervoor dat iedereen voorzichtiger is en minder hard rijdt. Gedrag dat goed bij het karakter van de weg past!

Suggestiestrook

Bij erftoegangswegen met onderbroken strepen aan de kant ontstaat tussen de onderbroken streep en de berm wat men wel noemt een ‘suggestiestrook‘. Deze is meestal rond de 90 cm breed. De wegbeheerder brengt hier ook wel eens rood asfalt aan. De suggestiestrook heeft geen enkele wettelijke status en u mag hem dus gebruiken. U moet u natuurlijk wel aan de hoofdregels houden: voetgangers, fietsers en bromfietsers daar niet in gevaar brengen of hinderen!

Adviessnelheid

Met bord A4 wordt een adviessnelheid aangegeven. De wegbeheerder heeft ter plaatse een goede reden om een adviessnelheid in te stellen. Het is natuurlijk niet alleen verstandig maar ook veiliger om dit advies op te volgen. Maar toch moet u er rekening mee houden dat bestuurders die ter plaatse bekend zijn, hier sneller zullen rijden. Let u er wel op dat dit een advies is dat geldt bij normale (weers)omstandigheden. Rijdt u bijvoorbeeld met een extra zwaar beladen auto of wordt daarmee een aanhangwagen voortbewogen dan vraagt het advies extra aandacht.

Uitzonderingen voorrangsvoertuigen

Natuurlijk gelden de verschillende maximumsnelheden niet voor bestuurders van ambulances, motorvoertuigen van politie of brandweer en andere officieel aangewezen hulpverleningsdiensten als zij gebruikmaken van de voorgeschreven optische en geluidssignalen (blauw zwaai- flits- of knipperlicht en een twee- of drietonige hoorn).

 

RuudBrocken