• +088- 040 6600
  • info@tomtheorie.nl

Overwegen

Overwegen

You are here:

Overwegen

Een overweg (overwegen) is een kruising van een weg en een railweg die wordt aangeduid met de zogeheten andreaskruisen. De meeste overwegen zijn bewaakt of beveiligd. Er zijn verschillende soorten overwegen: de bewaakte overweg, de overweg die is beveiligd met automatische halve overwegbomen (AHOB), met een automatische knipperlichtinstallatie (AKI), de onbeveiligde overweg en de hele automatische overwegbomen (HAOB).

Bewaakte overweg

Deze overweg wordt door medewerkers van de Nederlandse Spoorwegen met de hand bediend en de overweg wordt door hele afsluitbomen geheel afgesloten. Er gaat een vast rood licht branden voordat de sluitbomen de overweg afsluiten. Het rode licht verplicht u te stoppen voor de overweg. Nadat de trein de overweg gepasseerd is, gaan de sluitbomen weer omhoog en pas als het rode licht gedoofd is, mag u de overweg oversteken.

Automatische halve overwegbomen (AHOB)

Deze overweg is beveiligd door Automatische Halve Overweg Bomen (AHOB). Als een trein deze overweg nadert, gaan de rode lichten knipperen en gaat de bel rinkelen. U bent dan verplicht te stoppen voor de overweg. Daarna dalen automatisch de halve overwegbomen, die de rechterweghelft afsluiten. Nadat de trein de overweg gepasseerd is, gaan automatisch de halve overwegbomen weer omhoog, het belgerinkel stopt en de rode knipperlichten gaan uit. U mag dan pas de overweg oversteken. Niet eerder, want er kan namelijk nog een trein aankomen bijvoorbeeld vanuit de andere richting. De halve overwegbomen kunnen dan tijdens het omhoog gaan meteen weer gaan dalen. Een blauw bord met de tekst ‘WACHT tot het rode licht gedoofd is er kan nog een trein komen‘, waarschuwt u hiervoor. Als de AHOBinstallatie defect is, gaan de halve overwegbomen automatisch naar beneden, de rode knipperlichten werken dan op een noodbatterij. U bent dan verplicht te stoppen voor de overweg.

Automatische knipperlichtinstallatie (AKI)

Deze overweg is beveiligd door een Automatische Knipperlicht Installatie (AKI). De knipperlichtinstallatie bestaat uit drie lichten die in een driehoek geplaatst zijn. Het bovenste licht is wit en de twee onderste lichten zijn rood. Ook is een bel aanwezig. Als een trein deze overweg nadert, gaan de twee onderste rode knipperlichten beurtelings branden en gaat de bel rinkelen.

U bent dan verplicht te stoppen voor de overweg. Nadat de trein de overweg gepasseerd is en er komt geen andere trein meer aan, gaan de rode knipperlichten uit en stopt het belgerinkel. Het bovenste witte knipperlicht gaat dan branden. U mag dan pas de overweg oversteken, beslist niet eerder! Als de AKI defect is, gaan de onderste twee rode knipperlichten automatisch beurtelings branden en de bel gaat rinkelen. De bel blijft vijf minuten rinkelen, maar de rode knipperlichten blijven branden tot het defect verholpen is. U bent dan verplicht te stoppen voor de overweg.

Deze AKI overweg is beveiligd door automatische rode knipperlichten, een wit knipperlicht en een bel.

AKI Overwegen

 

Als een beveiligingsinstallatie geheel buiten werking is -dus ook de noodinstallatie- en u krijgt voor het oversteken geen aanwijzingen van bevoegde en kenbare personen, dan moet u handelen zoals bij een onbeveiligde overweg.

Onbeveiligde overweg

Deze overweg is niet beveiligd door sluit- of overwegbomen, knipperlichten of een bel. Als een trein deze overweg nadert krijgt u geen enkele waarschuwing! Het veiligst is dan ook, eerst voor de overweg te stoppen en u ervan te overtuigen of er een trein aankomt. Als u er zeker van bent dat het veilig is, mag u de overweg oversteken. Bij nacht en tijdens slecht zicht bij dag doet u er verstandig aan het raam van uw auto te openen, de radio uit te zetten en te luisteren of er een trein nadert. In de meeste gevallen kunt u de trein wel horen naderen, maar bijvoorbeeld door dichte mist niet zien naderen.

Naderen

U bent verplicht alle overwegen voorzichtig te naderen en een spoorvoertuig voor te laten gaan. U laat daarvoor de gehele overweg vrij. Minder uw snelheid zodat u altijd voor de overweg kunt stoppen als dat nodig is. U mag nooit stoppen, stilstaan of parkeren op een overweg. Op overwegen geldt geen inhaalverbod, maar meestal is het niet verstandig om vlak voor of op overwegen in te halen.

Oversteken

Het is weggebruikers verboden een overweg op te gaan, tenzij zij direct kunnen doorgaan en de overweg geheel vrij kunnen maken. Daarom moet u na gestopt te zijn voor een overweg en u weer kunt oprijden er zeker van zijn dat u niet op de overweg stil komt te staan. Wacht voor u oprijdt tot uw voorligger zover over de overweg heen is, dat u zonder risico ineens de gehele overweg kunt oversteken en veilig kunt aansluiten.

Wacht met oversteken tot u zonder risico ineens de gehele overweg kunt oversteken.

Bebakening

Op wegen buiten de bebouwde kom en soms ook binnen de bebouwde kom wordt door bakens en waarschuwingsborden aangegeven, dat u een overweg of tramkruising nadert. Aan de schuine streep of strepen op het baken, kunt u zien hoeveel meter u nog verwijderd bent van de overweg en aan welke zijde van de rijbaan het baken is geplaatst. Het eerste baken met drie schuine rode strepen is op 240 m afstand van de overweg geplaatst. Het tweede baken met twee schuine rode strepen is op 160 m afstand van de overweg geplaatst. Het derde en laatste baken met één schuine rode streep is op 80 m afstand van de overweg geplaatst. Het onderste gedeelte van de schuine streep is het dichtst bij het midden van de rijbaan.

Afstandbaken

Op autowegen is het eerste baken op 300 m afstand van een overweg geplaatst. Als het niet mogelijk is om deze standaard afstanden aan te houden, worden de afwijkende afstanden op onderborden bij de bakens vermeld.

Het op de twee eerste bakens geplaatste waarschuwingsbord geeft aan of u een overweg met overwegbomen (bord J10) of een overweg zonder overwegbomen (bord J11) nadert. Bij nadering van een tramkruising (bord J14) of een beweegbare brug (bord J15) kunnen deze afstandbakens ook zijn geplaatst.

Andreaskruis

Het bij overwegen geplaatste kruis is het zogenaamde andreaskruis. Eén kruis (bord J12) betekent overweg met enkel spoor, twee kruizen (bord J13) betekent overweg met twee of meer sporen. Tevens geven deze andreaskruisen aan dat het een overweg is in de zin van het RVV 1990 en dat het wegverkeer het railverkeer voor moet laten gaan. Wanneer deze andreaskruisen niet zijn geplaatst is er geen sprake van een overweg en zal de vrije doorgang voor het railvoertuig geregeld moeten worden door verkeerslichten of aanwijzingen door daartoe bevoegde beambten.

Met een dieplader is het oversteken van sommige overwegen niet altijd mogelijk door onvoldoende bodemvrijheid. Voor deze overwegen staat bord J1 met onderbord. Bij het hoofdkantoor van de Nederlandse Spoorwegen in Utrecht kunt u alle informatie krijgen over deze overwegen.

RuudBrocken