• +088- 040 6600
  • info@tomtheorie.nl

Blogarchief

Tunnel

Tunnels

Tunnels

In tunnels of op een route voor gevaarlijke stoffen gelden nagenoeg dezelfde verkeersregels als op andere wegen. Een tunnel maakt evenals bruggen en viaducten deel uit van de weg. Toch zijn tunnels of routes voor gevaarlijke stoffen weggedeelten waar u uw verkeersgedrag extra goed moet aanpassen aan de verkeersomstandigheden.

Verbod en route van bepaalde gevaarlijke stoffen

Bord C22

Voertuigen die bepaalde gevaarlijke stoffen vervoeren en die volgens de ‘Wet Gevaarlijke Stoffen’ geen gebruik mogen maken tunnels of daartoe aangewezen wegen, moeten de route voor het vervoer van bepaalde gevaarlijke stoffen volgen. Op de toeleidende weg naar een tunnel of een daartoe aangewezen weg wordt door bord C22 met een onderbord ruim van te voren de voorwaarschuwing gegeven voor welke gevaarlijke stoffen de tunnel of de weg is gesloten

Bord C22 kan voorzien worden van een onderbord, waarmee het verbod wordt beperkt. De voor heel Europa vastgestelde categorieën zijn: A, B, C, D en E.

Voor het vervoer door tunnels of over wegen van de categorie A gelden geen beperkingen. Daar mogen de gevaarlijke stoffen dus door en over vervoerd worden. De letter A wordt niet aangegeven op de onderborden. Als er een routeringsbord voor gevaarlijke stoffen staat zonder onderbord geldt dit automatisch voor de categorie A.

De bestuurder die gevaarlijke stoffen vervoert moet weten met welke stoffen er op een bepaalde route gereden mag worden. Op het vervoersbewijs dient aangegeven te worden door welke tunnels of over welke wegen de stoffen vervoerd mogen worden. Met personenauto’s worden meestal geen gevaarlijke stoffen vervoerd. Hoewel de benzine, diesel en LPG in de brandstoftanks van motorvoertuigen ook onder het begrip gevaarlijke stoffen vallen, mogen deze uiteraard wel vervoerd worden. Dat geldt ook voor een maximale reservevoorraad van 60 liter, op voorwaarde dat deze in een daarvoor bestemde verpakking (jerrycan) wordt meegevoerd.

Door bord K14 (route voor het vervoer van bepaalde gevaarlijke stoffen) wordt tevens ruim voor de tunnel aangegeven welke andere route er dan gevolgd moet worden.

Deze route wordt ook door dit bord aangegeven

Bord K14 tunnel

Verlichting

De meeste tunnels zijn voorzien van goede verlichting. Toch is het veiliger om ook bij dag in tunnels verlichting te voeren. Daarom staat ruim voor de tunnel een blauw bord met de tekst ‘ontsteek uw lichten’. Schakel het dimlicht tijdig in, dus ruim voordat u de tunnel inrijdt. Vooral in een minder goed verlichte tunnel kunnen bestuurders achter u uw oplichtende achterlichten wel eens aanzien voor remlichten en daardoor zelf onnodig remmen. Rijd ook nooit met een zonnebril op de tunnel in.

Schakel bij dag na het uitrijden van de tunnel het dimlicht weer uit.

Pech in een tunnel

Krijgt u pech in een tunnel, die niet voorzien is van een vluchtstrook of vluchthaven, dan kunt u toch proberen de tunnel uit te rijden. Natuurlijk zal dat niet in alle gevallen mogelijk zijn, maar met slechts een lekke band kunt u meestal wel met een lage snelheid door blijven rijden. Het is toch veiliger om langzaam de tunnel uit te rijden, dan dat u op de rijbaan in de tunnel stopt. Als door de pech doorrijden niet mogelijk of onverantwoord is, laat dan duidelijk aan de achteropkomende bestuurders zien, dat u wilt gaan stoppen door uw remlichten enige keren aan en uit te laten gaan. Het gebruik van de waarschuwingsknipperlichten is niet alleen toegestaan, maar ten zeerste aanbevolen. Als u geleidelijk uw snelheid heeft verminderd gaat u uiterst rechts stoppen. Als er wel een vluchtstrook aanwezig is plaatst u, zoals voorgeschreven, de gevarendriehoek. Laat zo mogelijk de verlichting branden en zet ook dan de waarschuwingslichten aan.

Zorg er altijd voor dat er voldoende brandstof aanwezig is als u door een tunnel wilt rijden!

Stoppen en verbod stil te staan

U mag uw voertuig niet uit vrije wil en zonder verkeersnoodzaak laten stilstaan in een tunnel. Stoppen door pech, rood verkeerslicht, filevorming of een ongeval doet u niet uit vrije wil en is dus wel toegestaan. Als u gestopt bent moet u de motor afzetten, behalve als deze nodig is voor de verzorging van de lading. Het verbod stil te staan geldt niet onder bruggen en viaducten. Als het nodig is, kan het verbod met bord E2 of een gele doorgetrokken streep worden aangegeven.

Bord E2 stoppen stilstaan

Vluchtwegen uit tunnels, op bruggen en bij geluidswallen

Bij calamiteiten, zoals bijvoorbeeld een brand in een tunnel, kan het noodzakelijk zijn de tunnel zo snel mogelijk te verlaten. Om u daarbij te helpen heeft de wegbeheerder bordjes volgens model L 19 geplaatst. Deze bordjes kunnen ook voorkomen op auto(snel)wegen bij geluidsschermen, geluidswallen en op bruggen.

Verkeerstekens op de weg

Verkeerstekens op de WEG

Verkeerstekens op de weg zijn van belang voor iedere weggebruiker. Hieronder een opsomming van de tekens die u tegen kan komen.

Doorgetrokken streep

Een streep zonder onderbrekingen is pas een ‘doorgetrokken streep‘ als hij minstens 20 m lang is. We onderscheiden twee groepen doorgetrokken strepen: kantstrepen en strepen voor het scheiden van rijstroken. Een kantstreep bevindt zich langs de rand van de rijbaanverharding.

Een doorgetrokken streep tussen rijstroken op rijbanen of paden met verkeer in beide richtingen betekent dat u die streep niet naar links mag overschrijden en dat u zich niet links van die streep mag bevinden. Dat mag wel als aan de rechterzijde van de doorgetrokken streep een onderbroken streep is aangebracht. Als de streep zich bevindt tussen rijstroken of op paden voor verkeer in één richting, mag u die streep niet naar links of naar rechts overschrijden. Ook in dit geval mag dat wél als tussen u en de doorgetrokken streep een onderbroken streep is aangebracht.

Bijzondere gevallen

De doorgetrokken streep tussen een vluchthaven of vluchtstrook op een auto(snel) weg en de rechter rijstrook is geen ‘doorgetrokken streep‘ in de zin van het hiervoor behandelde. De streep vormt immers geen scheiding tussen twee rijstroken (een vluchtstrook of vluchthaven is geen rijstrook) en men kan het ook geen kantstreep noemen. In een noodgeval mag u de vluchtstrook of vluchthaven wel gebruiken en dus de streep overschrijden. Is een vluchtstrook opengesteld als spitsstrook dan mag de doorgetrokken streep ook overschreden worden. Voor een kantstreep, die geen scheiding tussen twee rijstroken vormt, gelden de hiervoor behandelde regels ook niet. Een kantstreep mag u overschrijden, bijvoorbeeld om de berm te gebruiken bij pech, om daar te parkeren, of om een inrit in te rijden.

U mag de doorgetrokken streep overschrijden als de spitsstrook open is.

Doorgetrokken en onderbroken streep

Als een rijbaan of pad door een naast elkaar liggende doorgetrokken en onderbroken streep in rijstroken is verdeeld, dan mag u deze strepen overschrijden als u de onderbroken streep aan uw kant hebt. Maar u moet er wel rekening mee houden dat inhalen hier meer gevaar oplevert. Deze twee strepen naast elkaar noemen we ook wel combinatiestreep.

Omdat de streep onmiddellijk links van u een onderbroken streep is, mag u de doorgetrokken streep ook overschrijden.

Onderbroken streep

Er worden overwegend twee soorten onderbroken strepen gebruikt: de onderbroken streep met de verhouding 1:3 die in feite alleen het midden van de rijbaan of het pad aangeeft en de onderbroken streep met de verhouding 3:1 (waarbij de strepen dus drie keer zolang zijn als de onderbrekingen). Deze streep geeft niet alleen het midden aan, maar waarschuwt ook voor het feit dat u bijvoorbeeld bochten, hellingen of andere onoverzichtelijke situaties nadert of dat er een doorgetrokken streep volgt. Deze waarschuwingsstrepen geven dus aan dat u nog voorzichtiger moet zijn dan u al was.

Blokmarkering

Een blokmarkering is een onderbroken streep die u mag overschrijden en geeft de invoeg- en uitrijstroken en splitsingen in wegen aan. Als langs een blokmarkering een doorgetrokken streep is aangebracht, mag u deze markering en streep pas dan overschrijden als u de onderbroken markering aan uw kant hebt. Soms worden met blokmarkeringen voorsorteerstroken aangegeven. Twee rijen blokmarkeringen naast elkaar, dwars over de rijbaan, geven een oversteekplaats voor fietsers, snorfietsers en bromfietsers aan.

Reflectoren

Reflectoren worden beschouwd als scheiding door een onderbroken streep. Op een doorgetrokken streep mogen ook reflectoren worden aangebracht. Deze streep blijft dan toch een doorgetrokken streep.

Kantstrepen

Kantstrepen zijn doorgetrokken strepen langs de kanten van de rijbaan. Deze strepen geven het verloop van de rijbaan aan. U mag deze strepen overschrijden als u in geval van noodzaak gebruik wilt maken van een vluchtstrook, vluchthaven of de berm. U mag deze streep ook overschrijden als u in- en uitritten in of uit wilt rijden of als u wilt parkeren op een parkeerstrook of in de berm.

Gele doorgetrokken streep

U mag uw voertuig niet laten stilstaan langs een gele doorgetrokken streep.

Tijdelijke maatregelen

Bij wegwerkzaamheden is het dikwijls noodzakelijk tijdelijke maatregelen te nemen. Soms worden wegen geheel of gedeeltelijk afgesloten. Weggebruikers zullen dan worden geconfronteerd met ‘werk in uitvoering’. Zij worden hiervoor gewaarschuwd door (matrix)borden. Ter plaatse worden zij geholpen door de aangebrachte bebakening zoals verkeerskegels en tijdelijke gele strepen op het wegdek. Tijdelijk geplaatste of toegepaste verkeerstekens op het wegdek hebben dus de kleur geel en gaan boven de ter plekke aangebrachte andere verkeerstekens op het wegdek. Wanneer er bijvoorbeeld een witte doorgetrokken streep is aangebracht op het wegdek maar bij werkzaamheden ligt er een gele onderbroken streep naast, dan geldt de gele wegmarkering en mag de streep gewoon overschreden worden.

Bij wegwerkzaamheden moet u dus extra goed opletten en snelheid aanpassen. Ook kunnen de tijdelijke strepen glad zijn. Bij omleidingen wordt de route aangegeven door gele borden met een symbool, nummer of letter.

Blauwe streep

Een blauwe streep is aangebracht in een parkeerschijfzone. Als u parkeert langs deze streep, moet u daarom altijd een parkeerschijf gebruiken.

Schuine pijl

De schuine pijl die is aangebracht op een rijstrook vóór verdrijvingsvlakken geeft aan dat u die rijstrook moet verlaten in de aangegeven richting.

Verdrijvingsvlak

Een verdrijvingsvlak is een weggedeelte waarop schuine strepen zijn aangebracht. U mag dit vlak niet gebruiken. De strepen verwijzen u naar die zijde van de rijbaan waar u moet gaan rijden.

Puntstuk

Een puntstuk is een meerhoekig vlak op het wegdek bij splitsingen of samenvoegingen van wegen, rijstroken of rijbanen. Met ‘meerhoekig‘ wordt niet alleen de bekende driehoek bedoeld, maar ook rechthoeken en trapeziumvormige stukken. Puntstukken zijn aangebracht op het wegdek ter geleiding van het verkeer.

Verkeerstekens op de weg

 

Deze puntstukken mogen aan beide zijden voorbij gereden worden. Puntstukken mogen, net als verdrijvingsvlakken, niet worden gebruikt door bestuurders. Dit verbod geldt niet wanneer een bestuurder een spitsstrook volgt en daardoor onvermijdelijk over het puntstuk moet rijden.

Voorsorteerstrook

Als u op een kruispunt een bepaalde richting wilt volgen, moet u als bestuurder van een motorvoertuig of bromfiets gebruikmaken van de aanwezige voorsorteerstrook waarin deze richting met pijlen wordt aangegeven. Is de voorsorteerstrook voorzien van een doorgetrokken streep, L4 dan mag u niet meer van strook veranderen.

Bord L4 kan van tevoren aangeven dat u moet voorsorteren.

Busbaan

Een busbaan is een rijbaan waarop het woord ‘BUS’ of ‘LIJNBUS’ is aangebracht. Als op de rijbaan het woord ‘BUS’ is aangebracht mogen uitsluitend bestuurders van lijnbussen, andere autobussen en trams deze rijbaan gebruiken. Als op deze rijbaan het woord ‘LIJNBUS’ is aangebracht, dan mogen uitsluitend bestuurders van lijnbussen en trams deze rijbaan gebruiken.

Busstrook

Een busstrook is een rijbaangedeelte dat door een doorgetrokken of onderbroken streep van de rijbaan is afgescheiden en waarop het woord ‘BUS’ of ‘LIJNBUS’ is aangebracht. Als op deze strook het woord ‘BUS’ is aangebracht mogen uitsluitend bestuurders van lijnbussen, andere autobussen en trams deze strook gebruiken. Als op deze strook het woord ‘LIJNBUS’ is aangebracht, dan mogen uitsluitend bestuurders van lijnbussen en trams deze strook gebruiken.

Parkeerstroken en parkeervakken

Parkeerstroken en parkeervakken worden met strepen, andere verharding of met de letter ‘P‘ gemarkeerd. U mag uitsluitend op die plaatsen recht en geheel binnen de aangegeven markering parkeren.

Fietsstrook

Een fietsstrook is een gedeelte van de rijbaan dat door een doorgetrokken of onderbroken streep is gemarkeerd en waarop afbeeldingen van een fiets zichtbaar zijn. Het gebruik van deze strook met doorgetrokken streep is verboden voor andere bestuurders, behalve voor (snor)fietsers en bestuurders van een gehandicaptenvoertuig. Het volgen van deze strook met onderbroken streep is voor andere bestuurders wel toegestaan. Vanzelfsprekend mag u daarbij niemand hinderen.

Stopstreep

Een stopstreep is een brede streep die in de dwarsrichting is geplaatst. Als de stopstreep voor u bestemd is, moet u altijd stoppen bij het stopbord, bij een stopteken van een verkeersregelaar, bij een voetgangersoversteekplaats (zebrapad) of oversteek met verkeersbrigadiers en als het verkeerslicht op rood staat. Bij dubbele stopstrepen, de zogeheten opgeblazen fietsstrook, is de voorste streep bestemd voor fietsers en snorfietsers en de achterste streep voor de overige bestuurders.

Stopbord

Een stopbord (B7) waarschuwt dat u een kruispunt nadert waar u eerst vóór het kruispunt moet stoppen en voorrang moet verlenen aan bestuurders (dat zijn alle weggebruikers behalve voetgangers) op de kruisende weg. Voor deze kruispunten is op de weg ook een stopstreep aangebracht.

Haaientanden

Haaientanden zijn voorrangsdriehoeken op de weg. Als u een kruispunt met deze driehoeken nadert moet u voorrang verlenen aan bestuurders op de kruisende weg. Voor deze kruispunten is meestal ook bord B6 geplaatst.

Voorrangsteken

Een voorrangsteken waarschuwt u dat u een kruispunt nadert waar u voorrang moet verlenen aan bestuurders op de kruisende weg. Voor deze kruispunten is ook bord B6 geplaatst en zijn op de weg meestal haaientanden aangebracht.

Voetgangersoversteekplaats

Een voetgangersoversteekplaats (zebrapad) is een markering die in de dwarsrichting van de rijbaan, het fietspad of het fiets/bromfietspad is aangebracht en uit brede witte strepen bestaat.

Andere oversteekplaats

Een andere oversteekplaats is een markering die in de dwarsrichting van de rijbaan, het fietspad of het fiets/bromfietspad is aangebracht en die uit smalle onderbroken strepen (kanalisatiestrepen) bestaat (bijvoorbeeld een oversteekplaats voor voet- gangers, fietsers en snor/bromfietsers).

Verkeersdruppel

Verkeersdruppels zijn druppelvormige vlakken die de functie hebben van een (getekende) vluchtheuvel.

Zigzagstreep

De zigzagstreep betekent dat u snelheid moet minderen omdat u een gevaarlijk punt nadert.

Maximumsnelheid

Een aanduiding van de maximumsnelheid op borden wordt soms ondersteund door een aanduiding op het wegdek.

Tunnelteken

Bewegwijzering in een rij- of voorsorteerstrook kan u op onbekende plaatsen zekerheid geven over uw geplande reisbestemming.

Een tunnelteken in een rij- of voorsorteerstrook geeft aan dat die strook bestemd is voor bestuurders die de rijstrook naar de tunnel willen volgen.