• +088- 040 6600
  • info@tomtheorie.nl

Blogarchief

Tegenkomen

Tegenkomen

Bij het tegenkomen van andere weggebruikers moet u en het tegemoetkomende verkeer -indien nodig- zover naar rechts uitwijken dat er voldoende zijdelingse afstand blijft.

Voornamelijk op smalle wegen zullen beide bestuurders moeten uitwijken en elkaar voorzichtig voorbijrijden.

Kunt u om een of andere reden niet naar rechts uitwijken door bijvoorbeeld een rijbaanversmalling of obstakel, dan moet u uw snelheid daarop aanpassen of stoppen om het tegemoetkomende verkeer voor te laten gaan. Stop op ruime afstand, u kunt dan beter langs het obstakel kijken en het voorkomt dat u eerst achteruit moet rijden.

Zijn beide weggedeeltes door obstakels geblokkeerd dan moet u dat samen oplossen, bijvoorbeeld met handgebaren. Vanzelfsprekend gaat de bestuurder in de moeilijkste positie voor.

Bord F5

Nadert u een versmalling in de weg, bijvoorbeeld een smalle overweg, wegreparaties of smalle bruggen, dan zijn meestal de borden F5 en F6 geplaatst die de doorgang regelen. Bord F5 betekent dat bestuurders niet door mogen gaan bij (gelijktijdige of nagenoeg gelijktijdige) nadering van verkeer uit tegengestelde richting. U moet voetgangers hier dus ook voor laten gaan.

U moet hier alle verkeer voor laten gaan.

De voetganger is ook een verkeersdeelnemer.

Bord F5

Bord F6

Bord F6 betekent dat bestuurders, die uit tegengestelde richting naderen, u voor moeten laten gaan. De borden F5 en F6 gelden niet voor voetgangers. Zij vallen wel onder de bescherming van deze borden, maar niet onder de verplichtingen. Voetgangers mogen bij deze borden dus in beide richtingen doorlopen.

Als u bord F6 nadert, is het mogelijk dat er zich reeds bestuurders op de smalle doorgang bevinden. U moet hen dan de gelegenheid geven om de doorgang te kunnen verlaten voordat u door mag rijden.

F6

Bij lange wegopbrekingen, waarover ruime afstand voor het verkeer maar één rijbaanhelft beschikbaar is, kan de doorgang in plaats van door deze borden ook door (verplaatsbare) driekleurige verkeerslichten geregeld zijn.

Uitwijkplaatsen

De borden L20 en L21 zijn informatieve verkeersborden om een uitwijkplaats op smalle wegen aan beide zijden aan te geven. Als u goed anticipeert en tijdig gebruik maakt van de uitwijkplaats kunnen gevaarlijke situaties voorkomen worden.

Bord L21 en L21 Tegenkomen

 

Hoe haal jij je rijbewijs

Op weg naar je rijbewijs

Hoe haal ik mijn rijbewijs?

Stap 1:

Bereid je voordat je in de auto stapt eerst voor op het Theorie examen. Het CBR gaat jou toetsen over de kennis van de theorie in het verkeer. Gevaarherkenning en alle verkeersregels zijn in een examen samengevat. Lees hier hoe je je daar het beste op kan voorbereiden. Een goede online cursus, bijvoorbeeld van TOM Theorie kan jou helpen om te slagen, want de meeste cursisten zakken de eerste keer voor het examen.

Stap 2:

Start met rijlessen bij een goede rijschool. Het CBR kan je hierbij helpen. Vraag ook aan vrienden/ familie of zij goede ervaringen hebben met een rijschool of instructeur. Het moet natuurlijk klikken tussen jou de de rijschool, je zit immers vele uren naast elkaar in de auto en je wil natuurlijk ook vakkundig les krijgen.

Stap 3:

Doe een tussentijdse toets bij het CBR. De tussentijdse toets lijkt heel veel op een ‘echt’ praktijkexamen. De examinator toetst of je veilig en zelfstandig kunt rijden. En of je voldoende rekening houdt met andere weggebruikers. De examinator let onder andere op:

  • je beheersing van de auto
  • kijkgedrag
  • of je goed voorrang verleent
  • inhalen
  • in- en uitvoegen
  • rijden op kruispunten en rotondes
  • bijzondere verrichtingen
Hoe haal ik mijn rijbewijs met TOM Theorie

 

Na afloop krijg je een advies van de examinator. Zo weet je precies wat je nog extra moet oefenen, voordat je echt praktijkexamen doet.

Stap 4:

Praktijkexamen bij het CBR. Plan samen met je rij-instructeur je examen in. Bereid je goed voor, zorg dat je ontspannen en relaxed bij het CBR aankomt.

Signalen

Gebruik van signalen

Signalen. Het op correcte wijze en op het juiste moment signalen geven ter afwending van dreigend gevaar kan voorkomen dat ongevallen ontstaan. Bestuurders met verkeersinzicht en sociaal verkeersgedrag zien meestal het dreigend gevaar tijdig aankomen. En passen zich daarop aan, zodat zij zelden gebruik hoeven te maken van deze signalen.

Gevaarsignaal

Bestuurders mogen slechts geluids- of knippersignalen geven ter afwending van dreigend gevaar. Een geluidssignaal geeft u met een bel of claxon en knippersignalen door snel herhaald in- en uitschakelen van de grote- of dimlichten. Signalen mogen niet langer duren dan nodig is. Wanneer u een geluids- dan wel een knippersignaal moet geven is afhankelijk van de situatie en omstandigheden ter plaatse.

Bijzondere signalen

Bestuurders van motorvoertuigen van politie, brandweer, spoedeisende medische dienstverlening en andere officieel aangewezen hulpverleningsdiensten mogen blauwe zwaai-, flits- en/of knipperlichten en een tweetonige hoorn voeren. Hiermee maken ze kenbaar een dringende taak te vervullen. Zij mogen in die gevallen overdag ook knipperende koplampen voeren.

Signalen Brandweer

Zodra deze bestuurders gebruik maken van deze signalen behoren zij tot de categorie ‘voorrangsvoertuigen’ . En genieten zij de daaraan verbonden voorrechten.

Bestuurders van motorvoertuigen, brommobielen, bromfietsers en snorfietsers mogen met hun voertuig geen onnodig geluid maken.

Andere bijzondere signalen

Bestuurders van motorvoertuigen die officieel zijn aangewezen om werkzaamheden te verrichten, zoals wegwerkzaamheden, sleep- of takelwerkzaamheden, hulpverlening bij ongevallen, sneeuw en gladheidbestrijding, mogen tijdens hun werkzaamheden gele of groene zwaai- en/of knipperlichten voeren. De bestuurders van voorrangsvoertuigen mogen dan in plaats van gele zwaai- en/of knipperlichten blauwe zwaai- en/of knipperlichten voeren.

Geel of groen zwaai-. knipper- of flitslicht

Motorvoertuigen die gebruikt worden bij werkzaamheden aan de weg zoals: sleep- of takelwerkzaamheden, hulpverleningsdiensten bij ongevallen, sneeuw en gladheidsbestrijding mogen een geel zwaai- of knipperlicht gebruiken. De hiervoor genoemde voorrangsvoertuigen zoals politie, brandweer en ambulance, voeren in die situaties ook geel zwaai-, flits- of knipperlicht.

Wanneer een ambulance als eerste bij een grootschalig ongeval aankomt, voert de bemanning daarvan de medische coördinatie uit. Die ambulance zal niet gebruikt worden voor gewondentransport en voert dan als enige een groen zwaai-, flits- of knipperlicht.

Een ambulance die een groen zwaai-, flits- of knipperlicht voert is géén voorrangsvoertuig!

voetgangersoversteekplaats

Voetgangersoversteekplaats

Voetgangersoversteekplaats

Een voetgangersoversteekplaats (zebrapad) is herkenbaar aan de in dwarsrichting van de rijbaan, fietspad of fiets-/bromfietspad aangebrachte markering die bestaat uit brede witte en donkere strepen. Deze oversteekplaats wordt meestal aangeduid door bord L2.

Naderen en voor laten gaan

Alle bestuurders -ook van trams- moeten een voetgangersoversteekplaats voorzichtig naderen. En voetgangers en bestuurders van gehandicaptenvoertuigen, die hierop oversteken of kennelijk op het punt staan dit te doen, voor laten gaan. Vaak wordt u door het bord J22 gewaarschuwd, dat u een voetgangersoversteekplaats nadert.

Deze verplichting geldt niet voor bestuurders van een motorvoertuig dat behoort tot een militaire colonne of uitvaartstoet van motorvoertuigen en voorrangsvoertuigen. Als u van een daartoe bevoegd en als zodanig herkenbare verkeersbrigadier de aanwijzing krijgt om te stoppen, dan bent u verplicht deze aanwijzing op te volgen.

Als bij de voetgangersoversteekplaats ook voetgangerslichten in werking zijn, dan geldt de ‘zebra-bescherming’ niet, maar gelden de voetgangerslichten. Voetgangers en bestuurders van gehandicaptenvoertuigen moeten zich dan richten naar die verkeerslichten. Als in plaats van het rode licht een geel knipperlicht in de vorm van een waarschuwingsdriehoek brandt mogen zij op eigen risico oversteken.

voetgangersoversteekplaats

Zij moeten wel al het overige verkeer ter plaatse voor laten gaan, ook het afslaande verkeer. Het overige verkeer houdt met dit oversteken waarschijnlijk geen rekening, omdat het verkeerslicht voor hun op de rijbaan op groen staat. Voetgangers kunnen uiteraard altijd wachten op het groene voetgangerslicht -dat gehandhaafd blijft- zodat zij rustig en veilig kunnen oversteken.

Inhalen verboden

Het is verboden een voertuig vlak voor of op een voetgangersoversteekplaats links of rechts in te halen. Dit verbod geldt ook voor bestuurders van trams. De overstekende weggebruikers moeten er zeker van kunnen zijn dat -als een bestuurder hen voor laat gaan- niet een andere bestuurder het gestopte of langzaam naderende voertuig inhaalt. En hen zo toch in gevaar brengt!

Zuinig en milieubewust autorijden

Nieuwe stijl autorijden

Zuinig en milieubewust autorijden.

Voor een schoner milieu moet ook de automobilist zijn bijdrage leveren. Daarom is op initiatief van de overheid Het Nieuwe Rijden (HNR) ingevoerd. HNR kan u helpen bij een milieubewuste rijstijl. Uw persoonlijke rijstijl bepaalt namelijk grotendeels de zuinigheid, de hoeveelheid uitlaatgassen en het geluid. U kunt met het nieuwe rijden een brandstofbesparing realiseren van ongeveer 10% – 15%. Daarnaast kunt u ook flink besparen op bijvoorbeeld banden en remmen. Een (milieu) bewuste rijstijl bevordert ook het veilig rijden.

Voor het nieuwe zuinig en milieubewust autorijden volgen hieronder enkele richtlijnen en tips:

  • start niet eerder de motor dan dat u weg kunt rijden en start zonder gas te geven;
  • laat de motor niet stationair warm draaien. Tijdens het stationair draaien duurt het lang tot de motor bedrijfswarm is en er worden veel schadelijke stoffen geproduceerd. Rijd daarom na het starten meteen rustig weg;
  • accelereer niet onnodig met vol gas. Door met een ‘fluwelen voet’ gas te geven verbruikt de auto niet alleen minder brandstof, maar is ook de geluidshinder en de slijtage aan de auto minder;
  • rijd niet met onnodig hoog toerental, maar schakel tijdig door naar de juiste versnelling. De hoogte van het toerental is afhankelijk van (de leeftijd) van de auto. Moderne auto’s zijn met motoren uitgerust die met lage toerentallen (rond 1500 toeren bij zowel diesel- als benzinemotoren) heel zuinig rijden;
  • blijf met een zo constant mogelijke snelheid rijden. Het is mogelijk dat u binnen de bebouwde kom regelmatig in de vierde of vijfde versnelling rijdt. Dat is dus wel afhankelijk van het type motor en de verkeersomstandigheden;
  • rijd zo mogelijk niet de maximumsnelheid. Het brandstofverbruik, uitlaatgassen en bijgeluiden nemen bij hoge snelheden onevenredig sterk toe. Als u driekwart van de maximumsnelheid rijdt daalt het brandstofverbruik ongeveer met de helft. Let er wel op dat u de andere bestuurders niet irriteert.
  • wees zuinig met inhalen. Veelal geeft het risico’s, heeft het weinig nut en de tijdwinst is vaak te verwaarlozen;
  • rijd zo gelijkmatig mogelijk en anticipeer op komende situaties;
  • nader kruispunten, verkeerslichten, voetgangersoversteekplaatsen en overwegen met aangepaste snelheid. Als u snelheid wilt minderen, schakel dan niet te snel terug. Laat vroegtijdig het gaspedaal los en laat de auto zo lang mogelijk zonder de koppeling in te trappen in een zo hoog mogelijke versnelling uitrollen. Bewaar wel voldoende afstand tot uw voorligger;
  • neem voor bochten tijdig gas terug en geef bij het uitkomen van de bocht weer rustig gas;
  • rem niet abrupt (behalve in acute situaties), maar maak gebruik van het rollend vermogen van de auto;
  • zet bij een stop, zoals bij verkeerslichten, geopende bruggen en gesloten overwegen, waar u langer dan één minuut moet wachten, de motor af;
  • reageer rustig en ontspannen op de diverse verkeerssituaties en gebruik de claxon uitsluitend ter afwending van dreigend gevaar en niet om onnodig geluidshinder te veroorzaken.
  • bijzondere manoeuvres zoals keren, achteruitrijden enz. moeten voor een belangrijk deel met een slippende koppeling worden uitgevoerd. Daarbij wordt vaak teveel gas gegeven omdat men bang is dat de motor zal afslaan. In de meeste gevallen kan u zonder gas of met net iets meer dan het stationair toerental volstaan. Enige oefening op dit punt leidt tot een betere voertuigbeheersing en een forse brandstofbesparing.

De individuele omstandigheden

De individuele omstandigheden hebben ook effect op zuinig en milieubewust autorijden. Ongunstig voor het brandstofverbruik is de hoge verkeersdichtheid in de grote steden met de talrijke verkeerslichten. Ook het rijden van korte afstanden met steeds het starten en warmdraaien van de motor en het in file rijden in lage versnellingen.Door eerst goed na te denken kunt u misschien meerdere korte ritten met elkaar combineren. En eventueel op een ander tijdstip rijden kan voorkomen dat u in file moet rijden of stil komt te staan.

Zuinig en milieubewust autorijden

Natuurlijk kan het brandstofverbruik ook ongunstig worden beïnvloed zonder dat u daar iets aan kan doen. Het is normaal dat een auto in de winter en tijdens slechte en zware gebruiksomstandigheden meer brandstof verbruikt. Zoals op slechte wegen, rijden in de bergen, rijden met een aanhangwagen, rijden met passagiers enz.

De technische voorwaarden

Om zuinig en milieubewust te kunnen autorijden moet u ook enige technische voorwaarden opvolgen zoals:

  • de voorgeschreven onderhoudswerkzaamheden moeten precies volgens het serviceplan door een erkende garage worden uitgevoerd;
  • de bandenspanning moet regelmatig (ten minste 1x per 2 maanden) worden gecontroleerd, omdat een te lage spanning het brandstofverbruik verhoogt. Bij 20 % te lage bandenspanning neemt de rolweerstand met ruim 10 % toe;
  • het brandstofverbruik en het motoroliepeil van uw auto regelmatig controleren. Hierdoor herkent u vroegtijdig een storing die het verhoogde verbruik veroorzaakt;
  • geen onnodige ballast meenemen;
  • imperiaal, skibox, fietsenrek en caravanspiegels direct na gebruik verwijderen;
  • het rijden met geopende ramen en/of geopend schuifdak en met cabrioleta uto’s verhoogt het brandstofverbruik en is dus niet milieuvriendelijk;
  • stroomverbruikers zoals de achterruitverwarming, de airconditioning (grootste verbruiker) en de spiegelverwarming gebruikt u pas als het echt moet en nooit langer dan nodig is;
  • een cruisecontrol houdt de ingestelde snelheid van de auto constant bij wisselende rijomstandigheden, zoals wind en hellingen zonder dat u het gaspedaal bedient. De ingestelde snelheid wordt in stand gehouden door een nauwkeurig automatische gasdosering. Het brandstofverbruik is door dit systeem gunstiger. De cruisecontrol wordt uitgeschakeld door te remmen en als het koppelingspedaal wordt ingetrapt. Een gevaar van het rijden met een cruisecontrol is dat de cruisecontrol soms te laat wordt uitgezet (bijvoorbeeld op de autosnelweg) waardoor in bepaalde situaties de (naderings)snelheid te hoog wordt. Goed anticiperen en adequaat reageren is dus een vereiste.

Andere belangrijke aanwijzingen voor Zuinig en milieubewust autorijden

Naast de persoonlijke rijstijl, de individuele omstandigheden en de technische voorwaarden zijn er nog andere belangrijke milieu-aanwijzingen zoals:

  • geen grotere of zwaardere auto rijden dan voor u en/of uw werkzaamheden nodig is;
  • als bij het tanken het vulpistool voor de eerste keer afslaat is de brandstoftank voldoende gevuld. Als u dan toch doortankt, vult u ook de expansieruimte in de brandstoftank en bij verwarming kan dan de brandstoftank overlopen;
  • auto’s met een katalysator mogen uitsluitend loodvrije brandstof tanken. Reeds één tankvulling met loodhoudende brandstof veroorzaakt een verslechtering van de katalysatorwerking;
  • auto’s zonder katalysator moeten ook, als het enigszins mogelijk is, loodvrije brandstof tanken;
  • bij aankoop van verzorgingsmiddelen voor uw auto moet u voor milieuvriendelijke producten kiezen en de overblijfselen hiervan niet in de vuilniszak gooien;
  • u moet de auto uitsluitend wassen of laten wassen op de daarvoor aangewezen plaatsen. Het wassen van de auto op andere plaatsen kan plaatselijk zelfs verboden zijn;
  • het schoonspuiten van het motorblok mag uitsluitend in een daarvoor geschikte ruimte gebeuren, omdat het vervuilde water met behulp van een olieafscheider moet worden gereinigd van benzine, dieselolie, vet en olieresten;
  • om lekkages van de auto tijdig te ontdekken moet u regelmatig onder de motorkap en onder de auto controleren op olie- of andere vlekken;
  • motorolie verversen en het vervangen van een oliefilter kan u het beste overlaten aan de garage, omdat hiervoor de vereiste vakkennis en meestal speciaal gereedschap nodig is. Ook mag de afgewerkte olie in geen geval in de riolering of in de grond terecht komen. Datzelfde geldt ook voor versnellingsbakolie, afgetapte koelvloeistof, remvloeistof, een oude of defecte accu, versleten of kapotte autobanden;
  • een autowrak of omvangrijke samenstellende delen daarvan mag u niet zomaar ergens achterlaten. Een afgeschreven motorrijtuig moet worden afgegeven bij een autodemontagebedrijf (sloopbedrijf).

Milieuzones 

Veel gemeenten zullen i.v.m. het milieu in hun gebied een zogenoemde milieuzone invoeren. Hierdoor worden vooral de oudere (milieuvervuilende) auto’s uit bijvoorbeeld de binnensteden geweerd. Voor hen is dit een wezenlijk onderdeel van Zuinig en milieubewust autorijden.

De milieuzones worden aangegeven door de borden C22a en C22b. Binnen die gebieden is het verboden met motorvoertuigen te rijden die niet voldoen aan de milieueisen. Bord C22a geldt niet voor personenauto’s met een dieselmotor die blijkens een aantekening in het kentekenregister of op het kentekenbewijs op de weg zijn toegelaten na 31 december 2005. Voor alle personenauto’s zonder dieselmotor (bijvoorbeeld benzine, LPG of elektrisch) geldt een eerste toelating die is gelegen na 30 juni 1992.

Verder geldt het verbod niet voor bestelauto’s met een dieselmotor die blijkens een aantekening in het kentekenregister of op het kentekenbewijs op de weg zijn toegelaten na 31 december 2005. En voor alle bestelauto’s die niet voorzien zijn van een dieselmotor. Het verbod geldt ook niet voor andere categorieën motorvoertuigen dan vrachtauto’s, bestelauto’s en personenauto’s (bijvoorbeeld autobussen, motorfietsen en tractoren).

Ongevallen en Verkeer

Risico’s en Ongevallen

Ongevallen en Verkeer zijn situaties waar u natuurlijk liever niets mee te maken wil hebben. Maar als u betrokken bent bij een verkeersongeval en/of brand moet u als u daartoe in staat bent enige maatregelen treffen. Vaak raken mensen in paniek en komen daardoor meestal nog verder in de problemen. Daarom is het belangrijk dat u weet hoe u in zo’n situatie moet handelen.

Ongevallen voorkomen

Zorg dat u de auto veilig kunt gebruiken. Houd daarvoor de ramen schoon, zorg voor voldoende frisse lucht zodat u geconcentreerd kunt rijden. Zorg er ook voor dat u de auto goed kunt bedienen en gebruik de kindersloten als dat nodig is. Ongeveer 15 % van de verkeersongevallen is het gevolg van vermoeidheid. Neem daarom voldoende rust voordat u aan een lange rit begint en neem tijdens de rit regelmatig een pauze (2 uur rijden en 15 minuten rust). Zorg ervoor dat de temperatuur in de auto niet te hoog wordt, warmte werkt slaapverwekkend.

Probeer nooit risico’s te nemen of uw eigen grenzen op te zoeken. Dat kan resulteren in het onderschatten van verkeersrisico’s. En is een van de redenen waarom jonge beginnende bestuurders vaker betrokken zijn bij ongevallen.

De drie factoren die de belangrijkste oorzaak zijn van verkeersongevallen zijn; mens, omgeving en voertuig. De mens is met 92%, de grootste oorzaak is van verkeersongevallen. In 3% van de gevallen is dat het voertuig en in 5% van de gevallen is een ongeval te wijden aan de omgeving. Bij deze factoren spelen de weersomstandigheden ook een belangrijke rol in het verkeer. Regenval geeft een verminderd zicht en voorzichtigheid is dus geboden. Sneeuw geeft ook een verminderd zicht maar zorgt daarnaast ook voor ernstige gladheid waardoor de remweg verlengd wordt. De weggedeelten die het eerste glad worden als het gaat vriezen zijn bruggen en viaducten.

Het gebruik van alcohol, drugs en bepaalde geneesmiddelen is af te raden, omdat deze stoffen nog uren daarna uw rijvaardigheid ernstig kunnen beïnvloeden. Tenslotte is het rijden onder invloed niet alleen gevaarlijk en asociaal, maar ook streng verboden.

Het naderende verkeer waarschuwen

Als na een verkeersongeval de rijbaan geheel of gedeeltelijk geblokkeerd is of als er slachtoffers op de rijbaan liggen, moet het naderende verkeer gewaarschuwd worden en eventueel tot stilstand worden gebracht. Plaats gevarendriehoeken, gebruik de waarschuwingsknipperlichten en laat bij slecht zicht en bij nacht de verlichting branden. Probeer in ieder geval het naderende verkeer duidelijk te maken dat er een ongeval heeft plaats gevonden zodat er niet nog meer ongevallen zullen gebeuren.

Het Europees alarmnummer

Bel onmiddellijk het alarmnummer 112 als de politie of andere professionele hulp nodig is. Bij minder ernstige ongevallen, bijvoorbeeld uitsluitend blikschade, belt u in Nederland 0900-8844. Geef in ieder geval uw naam en telefoonnummer door, zodat men u kan terug bellen als dat nodig is. Belangrijke informatie is ook de exacte plaats van het ongeval, bijvoorbeeld op autosnelwegen de gegevens die staan vermeld op het dichtstbijzijnde hectometerbord, of er doden en hoeveel gewonden er zijn.

Ongevallen en Verkeer 112

Vertel ook of er mensen bekneld zitten, er brandende voertuigen bij zijn en/ of dat er voertuigen met gevaarlijke stoffen bij betrokken zijn. Geef in zo’n geval de nummers door die op de oranje borden staan. Ook andere informatie die u relevant vindt en de reeds genomen maatregelen.

De stand van de voertuigen vastleggen

Als het voor de veiligheid nodig is, moet u, indien mogelijk, de verongelukte voertuigen meteen van de rijbaan verwijderen. U moet dan wel eerst de stand van de voertuigen vastleggen. Gebruik hiervoor krijt, tape of een camera. Dat kan voor alle belanghebbenden achteraf veel duidelijk maken. Probeer in ieder geval een veilige doorgang voor het overige verkeer vrij te houden.

Verzamelen van de nodige gegevens

Noteer of onthoud de belangrijkste gegevens van de tegenpartij. Zoals kenteken, soort en merk voertuig, type, kleur en eventuele bijzonderheden. Vraag aan omstanders of zij getuigen zijn geweest van het ongeval, wat zij gezien hebben en of zij bereid zijn om als getuige op te treden. Maak bij (geringe) blikschade de rijbaan direct vrij en wissel de gegevens uit op de vluchtstrook of, nog beter, rijdt naar de dichtstbijzijnde parkeerplaats.

Ongevallen en Verkeer Mobiel schade melden

Het is ook mogelijk de schade van een verkeersongeval te melden middels de smartphone. Het verbond voor verzekeraars heeft daarvoor de mogelijkheid geschapen via Mobielschademelden.nl

Het invullen van een Europees schadeformulier is dan niet nodig. Let wel, het geldt alleen als er sprake is van blikschade. Is het een ernstig ongeval waarbij gewonden of doden zijn gevallen dan dient het ongeval nog middels het formulier gemeld worden.

Vul het Europees schadeformulier duidelijk in. Beantwoord alle van toepassing zijn de vragen/vakjes, vergeet niets op de situatietekening en plaats uw handtekening onderaan het formulier. Het maakt niet uit of u de vragen bij Voertuig A of voertuig B invult. Laat ook de tegenpartij het formulier invullen en ondertekenen. Als de politie ter plaatse is, maakt zij van het gebeurde een proces-verbaal op en/of legt het vast op een registratieformulier.

Lading

Lading

Lading vervoeren betekent dat u moet weten aan welke wettelijke bepalingen u zich moet houden.  En hoe u de lading veilig en doelmatig moet vervoeren.

Algemeen

Met betrekking tot de lading gelden de volgende algemene eisen:

  • de bestuurder mag bij het besturen niet door passagiers, lading of op andere wijze worden gehinderd. Ook mag de lading geen belemmering zijn voor het uitzicht naar voren en opzij en moet het zicht door de spiegels vrij blijven;
  • de lading of delen daarvan moeten zodanig zijn gezekerd (vastgezet) dat deze onder normale verkeerssituaties niet van of uit het voertuig kunnen vallen. Losse lading zoals zand, grind of puin moet deugdelijk zijn afgedekt, bijvoorbeeld met een zeil of een net;
  • personenauto’s mogen niet zodanig zijn beladen dat de (in het kentekenbewijs vermelde) toegestane maximum-aslast, de maximumlast onder de koppeling, of de toegestane maximummassa wordt overschreden;
  • op onverharde wegen mogen ook personenauto’s en daardoor voortbewogen aanhangwagens (eventueel incl. lading) niet breder zijn dan 2,20 m;
  • de lading mag niet vóór het voertuig uitsteken. Bij aanhangwagens geldt het kopschot als voorzijde;
  • de lading mag niet meer dan 1 m achter het voertuig uitsteken;
  • de lading mag niet meer dan 5 m achter de achterste as van het voertuig uitsteken; – de lading mag niet aan de zijkant uitsteken;
  • door de lading mag het zicht op de verlichting, de retroreflectoren, de richtingaanwijzers of de kentekenplaat van het voertuig niet worden belemmerd, tenzij er een extra voorziening is aangebracht.

In de lengte ondeelbare lading

Lading die in de lengte ondeelbaar is, zoals lichtmasten, balken en ladders, moet voldoen aan enkele specifieke eisen.

De lange lading mag:

  • aan de achterzijde van personenauto’s niet meer dan 1 m achter het voertuig uitsteken;
  • aan de voorzijde van personenauto’s, niet meer dan 1 m voor het voertuig uitsteken;
  • aan de achterzijde van aanhangwagens niet meer dan 0,5 maal de lengte van het voertuig uitsteken, met een maximum van 5 m;
  • niet voor aanhangwagens (de koppeling) uitsteken.

In de breedte ondeelbare lading vervoeren

Lading die in de breedte ondeelbaar is mag niet breder zijn dan voor het vervoer noodzakelijk is. De lading van personenauto’s mag niet meer dan 20 cm buiten elke zijkant van het voertuig uitsteken tot een maximumbreedte van 2,55 m. Voor aanhangwagens geldt dat de breedte van het voertuig incl. de lading niet breder mag zijn dan voor het vervoer noodzakelijk is, met een maximum van 3 m.

Markering van de lading

Lading vervoeren die méér dan 1 m voor of achter het voertuig uitsteekt moet voorzien zijn van markeringsborden. Daar er voor personenauto’s geldt dat de lading niet meer dan 1 m mag uitsteken is daarvoor deze regel niet van toepassing.

lading vervoeren aanhangwagen

De regel geldt echter wel als er met een personenauto een aanhangwagen wordt voortbewogen, waarbij de lading aan de achterzijde van de aanhangwagen wel meer dan 1 m uitsteekt.

Lange lading die meer dan 1 m achter het voertuig uitsteekt, moet gemarkeerd zijn met een markeringsbord.

Tijdens het vervoer van in de breedte ondeelbare lading die meer dan 10 cm buiten elke zijkant van het voertuig uitsteekt, moet de voor- en achterzijde van deze lading aan weerszijden gemarkeerd zijn met een markeringsbord. Deze markering moet zo zijn aangebracht dat zij zoveel mogelijk de grootste breedte van de lading aangeeft. Deze regel geldt niet voor personenauto’s, maar wel voor een daardoor voortbewogen aanhangwagen.

Als de verplichte verlichting gevoerd moet worden, moet aan de achterzijde van de in de lengte uitstekende lading een rood licht zijn aangebracht. Bij lading die in de breedte uitsteekt moet dan aan weerszijden van de voorzijde een wit licht en aan weerszijden van de achterzijde een rood licht zijn aangebracht.

Scherpe delen van de lading

De lading van voertuigen mag geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren. Dat geldt niet als deze lading of delen daarvan zich meer dan 2 m boven het wegdek bevinden.

Goederen, bijvoorbeeld fietsen, mogen aan de achterzijde van een auto alleen vervoerd worden met een deugdelijke lastdrager.

Lastdrager

Bij deze lading vervoeren gelden de volgende eisen:

  • de lastdrager en de goederen moeten deugdelijk zijn bevestigd;
  • de lastdrager (met goederen) mag maximaal 20 cm buiten elke zijkant van het voertuig uitsteken;
  • de lastdrager mag uitsluitend worden gebruikt voor die goederen en die hoeveelheid waarvoor de lastdrager is gemaakt;
  • als de lastdrager of de daarop meegevoerde goederen de verlichting, richtingaanwijzers, remlichten en kentekenplaat afschermen, dan moet ook de lastdrager aan de achterzijde deze voorzieningen hebben;
  • als de lastdrager is bevestigd op een trekhaak, mag de maximum kogeldruk die door de fabrikant is vastgesteld niet worden overschreden. Als hierover geen gegevens bekend zijn, dan mag de kogeldruk maximaal 75 kg bedragen.

Ook het vervoer op het dak, bijvoorbeeld van ski- en bagageboxen, dient met een deugdelijke lastdrager te geschieden. Daarbij moet worden voldaan aan de volgende eisen:

  • de lastdrager en de goederen moeten deugdelijk zijn bevestigd;
  • de lastdrager mag uitsluitend worden gebruikt voor die goederen en die hoeveelheid waarvoor de lastdrager is gemaakt;
  • de maximum daklast die door de fabrikant van het voertuig is vastgesteld mag niet worden overschreden.

Inrichtingseisen van de auto

Inrichtingseisen AUTO

Inrichtingseisen waar een auto aan moet voldoen . Het ligt voor de hand dat niet alleen eisen worden gesteld aan de bestuurder, maar ook aan het voertuig. Daarom moet een auto voldoen aan enige inrichtingseisen.

Afmetingen en massa’s

Een personenauto mag maximaal 12 m lang zijn, 2,55 m breed en 4 m hoog. Het kentekenbewijs schrijft maximum-aslasten voor; deze mogen niet worden overschreden. Het kentekenbewijs schrijft ook een toegestane maximummassa voor. De totale massa van de beladen auto en de som van de aslasten mag niet meer zijn dan deze toegestane maximummassa.

Remmen

Een auto moet zijn voorzien van een bedrijfsrem (voetrem) die op alle wielen werkt en waarvan de remvertraging ten minste 5,2m/s2 bedraagt. Een auto moet ook zijn voorzien van een parkeerrem (handrem) die op tenminste twee wielen werkt.

Als er een defect aan het remcircuit ontstaat, is het niet zo dat het voertuig niet meer remt, want dan treedt de noodrem in werking d.w.z. als u de bedrijfsrem gebruikt remt deze toch nog (kruislings) op twee wielen. Ontstaat er een defect aan de bedrijfsrem op alle vier de wielen, dan gebruikt u de parkeerrem -die op ten minste twee wielen werkt- als noodrem.

Heeft u een hydraulisch remsysteem, dan mag de slag van het rempedaal niet door een aanslag beperkt worden. Het oppervlak van het rempedaal moet stroef zijn. Bij wielen met een schijfrem mag de remvoering bij draaien in beide richtingen enigszins slepen. Bij een trommelrem mag dat niet.

Bijna alle auto’s zijn voorzien van een Anti Blokkeer Systeem (ABS). Voordeel van dit systeem is dat bij een (nood)remming de wielen niet blokkeren, waardoor de auto bestuurbaar blijft. Dat is dus veel veiliger. Dat houdt niet in dat u dan sneller kunt gaan rijden. Een ABS zorgt niet altijd voor een kortere remweg!

Achteruitrijinrichting

Motorvoertuigen met een toegestane maximummassa van meer dan 400 kg moeten zijn voorzien van een achteruitrijversnelling. Het geluidssignaal dat dan te horen mag zijn is om andere weggebruikers erop attent te maken dat de achteruitrijversnelling van het voertuig is ingeschakeld.

Stuurinrichting

Een auto moet zijn voorzien van een deugdelijke stuurinrichting.

Richtingaanwijzers

Een auto moet 2 ambergele of witte richtingaanwijzers aan de voorkant hebben, 2 ambergele of rode aan de achterkant en, als de auto van 1998 of later is, 2 ambergele zijrichtingaanwijzers aan elke zijkant. Richtingaanwijzers aan de voorkant van de auto tellen ook als zijrichtingaanwijzer als het licht daarvan ook ambergeel is en schuin achter de auto te zien.

Waarschuwingsknipperlichten

Een auto moet zijn voorzien van waarschuwingsknipperlichten.

Claxon

Een auto moet zijn voorzien van een goed werkende claxon met één vaste toonhoogte. Een samenstel van zodanige, tegelijk werkende hoorns wordt als een hoorn beschouwd. Ook mag een geluids signaal aanwezig zijn om andere weggebruikers erop attent te maken dat de achteruitrijversnelling is ingeschakeld, alsmede een geluidssignaal om ongeoorloofd gebruik of diefstal van het voertuig te voorkomen.

Snelheidsmeter

Een auto moet zijn voorzien van een goed werkende snelheidsmeter, die ook bij nacht voor de bestuurder goed afleesbaar is.

Spiegels

Personenauto’s van na 25 januari 2010 moeten zijn voorzien van een linker buitenspiegel, een rechter buitenspiegel en een binnenspiegel. Als bij zo’n auto met de binnenspiegel het achter de auto gelegen weggedeelte niet voldoende kan worden overzien, hoeft deze niet aanwezig te zijn.

Personenauto’s van vóór 26 januari 2010 moeten zijn voorzien van een linker buitenspiegel en een binnenspiegel. Een rechter buiten spiegel is verplicht als met de binnenspiegel het achter het voertuig gelegen weggedeelte niet vol doende kan worden overzien. Als de binnenspiegel geen zicht naar achteren mogelijk maakt, hoeft de binnenspiegel niet aanwezig te zijn. Het spiegelglas mag geen breuken vertonen en niet ernstig zijn verweerd.

1: Dit gedeelte, de zogenaamde dode hoek, ziet u niet in de spiegel. U moet er voor over uw schouder kijken.

2: Het gezichtsveld van de bestuurder in de buitenspiegels.

3: Het gezichtsveld van de bestuurder in de binnenspiegel.

Autospiegels dode hoek

Ruiten

Een auto mag volgens de inrichtingseisen uitsluitend zijn voorzien van een voorruit en zijruiten die geen beschadigingen of verkleuringen (folie) vertonen en mogen niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen die het uitzicht van de bestuurder belemmeren. Als de auto niet is voorzien van een rechter buitenspiegel geldt dat ook voor de achterruit.

Ruitenwissers, ruitensproeier en voorruit verwarming

Personenauto’s met een voorruit moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitenwisserinstallatie die de bestuurder voldoende uitzicht geeft.

Autogordels

Een personenauto in gebruik genomen na 30 september 2000 moet op alle zitplaatsen, naar voren en naar achteren gericht, gordels hebben. Is de auto van na 31 december 1989, maar vóór 1 oktober 2000, dan moet op de naar voren gerichte zitplaatsen een gordel zitten. Is de auto van vóór 1 januari 1990, dan hoeven er alleen gordels te zijn voor de zitplaats van de bestuurder en de zitplaats naast hem, grenzend aan het portier.

Gordels moeten een goed werkende sluiting en blokkeerinrichting hebben. Het oprolmechanisme moet zo goed werken dat de gordel aanligt na het omdoen.

Schokdempers en draagveren

Een auto moet zijn voorzien van goedwerkende schokdempers en draagveren.

Uitlaat en geluiddemper

Een auto met een verbrandingsmotor moet zijn voorzien van een uitlaatsysteem dat over de gehele lengte gasdicht is, met uitzondering van de afwateringsgaatjes. Het uitlaatsysteem moet deugdelijk zijn bevestigd. De uitstoot van schadelijke stoffen mag niet groter worden dan de waarde waarvoor het type auto is goedgekeurd. Hetzelfde geldt voor de geluidsproductie, de waarde vermeld in het kentekenregister mag met niet meer dan 2 dB worden overschreden.

Banden

De inrichtingseisen verlangen dat de wielen van een auto moeten zijn voorzien van luchtbanden. De banden mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is en mogen geen uitstulpingen vertonen. De profilering van de hoofdgroeven van de banden moet over de gehele omtrek van het loopvlak ten minste 1,6 mm bedragen, met uitzondering van slijtage-indicatoren. De banden mogen niet zijn opgesneden en het loopvlak mag geen metalen elementen bevatten (spijkerbanden) die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken. De banden op één as moeten dezelfde maataanduiding hebben.

Inrichtingseisen - autobanden

Banden moeten de door de voertuigfabrikant voorgeschreven bandenspanning hebben. Controleer daarom regelmatig de in het onderhoudsboekje vermelde bandenspanning. Deze varieert bij verschil in belading.

Auto’s die zijn uitgerust met een noodreservewiel (thuiskomer) mogen -ondanks een afwijkende bandenstraal en karkasstructuur- in geval van nood dit reservewiel gebruiken. Het weggedrag, met name de snelheid (maximaal 80 km per uur), moet dan wel worden aangepast.

Houd er bij de keuze van nieuwe banden rekening mee dat, over het algemeen gesproken, extra brede banden minder snel het water af kunnen voeren dan een normale band. De kans op aquaplaning kan daarom groter zijn.

Bandenlabel

Nieuwe autobanden moeten zijn voorzien van een bandenlabel. Dit label (etiket) laat zien in hoeverre de band zuinig, veilig en milieuvriendelijk is. U kunt deze informatie gebruiken bij de keuze van het soort band voor uw auto.

Het label geeft informatie over 3 belangrijke eigenschappen van een autoband:

  • Het brandstofverbruik.

Minder brandstofverbruik betekent lagere brandstofkosten en minder uitstoot van CO2.

  • De grip op een nat wegdek.

Door een betere grip op het wegdek ontstaat er een verbetering van de remprestatie. Hierdoor kan de remweg worden verkort.

  • Het verkeerslawaai dat de band veroorzaakt.

Dit lawaai geeft overlast aan de omwonenden en de natuur.

Winterbanden

Rubber wordt bij lagere temperaturen harder. Door deze verharding verliezen zomerbanden bij kou de optimale grip op het wegdek. Winterbanden hebben een zachtere rubbersamenstelling en bovendien een ander profiel. Met name onder winterse omstandigheden bij sneeuw en sneeuwmodder presteren winterbanden veel beter dan zomerbanden. In de zomer bij hoge temperaturen zal een zachter rubber harder slijten en heeft u met winterbanden een langere remweg dan met zomerbanden. Verstandig is om de banden te wisselen als de temperatuur constant boven (zomerbanden) of onder (winterbanden) de 6 tot 10 graden Celsius is.

Een winterband is een band die onder winterse omstandigheden goede grip biedt.

Winterbanden hebben naast een zachtere rubbersamenstelling ook een grote hoeveelheid lamellen in het profiel. Een indicatie voor wintereigenschappen van een band is het sneeuwvlok symbool. Het symbool geeft slechts aan dat de band voldoet aan minimale eisen m.b.t. het rijden onder winterse omstandigheden.

Het bandenprofiel moet wettelijk minimaal 1,6 mm zijn, voor winterbanden wordt tenminste 4 mm aanbevolen. De optimale prestatie van een winterband ligt volgens de meeste producenten rond de 7 graden Celsius.

All-season banden

All-season banden presteren in de zomer beter dan winterbanden, maar ook met deze banden zijn de remprestaties bij hoge temperaturen minder dan van zomerbanden. Andersom geldt ook dat all-season banden in de winter beter scoren dan zomerbanden, maar slechter dan winterbanden.

Verlichting voorzijde

Een auto mag -met uitzondering van groot licht- niet zijn voorzien van verblindende verlichting. Een auto moet zijn voorzien van twee grote lichten, twee dimlichten en twee stadslichten. De verlichting moet wit of geel zijn, van gelijke sterkte en goed werken. De dimlichten moeten juist zijn afgesteld.

Uw auto moet aan de voorzijde zijn voorzien van stadslicht, dimlicht, groot licht, richtingaanwijzers, waarschuwingsknipperlichten en een goedgekeurde kentekenplaat.

Dagrijlicht

Sinds 7 februari 2011 moeten nieuw (typegoedkeuring) op de markt gebrachte personenauto’s en lichte bestelauto’s voorzien zijn van dagrijlichten. De dagrijlichten (veelal LEDverlichting) bevinden zich aan de voorkant van de auto, zijn naar voren gericht en stralen wit licht uit. De inrichtingseisen zijn dat deze lichten automatisch gaan branden als de motor wordt gestart.

Als de koplampen of mistlichten worden ontstoken moeten de lichten automatisch doven. Als de dagrijlichten branden is het niet mogelijk dat andere verlichting, zoals achterlichten en kentekenplaatverlichting, ontstoken wordt.

De dagrijlichten beogen de zichtbaarheid van auto’s overdag te verhogen. Door deze maatregel wordt het voeren van verlichting overdag geleidelijk ingevoerd.

Mistachterlicht

Een auto moet voorzien zijn van één mistachterlicht. Een tweede licht is toegestaan. Op het dashboard van de auto moet een controlelampje gaan branden als er mistachterlichten branden.

Achteruitrijlicht

Een auto moet zijn voorzien van één achteruitrijlicht. Een tweede licht is toegestaan. Deze lichten mogen uitsluitend branden als de achteruitversnelling is ingeschakeld en tijdens het achteruitrijden.

Markeringslichten

Een auto die breder is dan 2,10 m moet zijn voorzien van twee witte markeringslichten aan de voorzijde en twee rode aan de achterzijde.

Zijmarkeringslichten

Een auto die langer is dan 6 m moet aan elke zijkant zijn voorzien van ambergele zijmarkeringslichten.

Achterlicht

Een auto moet voorzien zijn van twee (rode) achterlichten die steeds tegelijk moeten branden met het stadslicht, dimlicht, groot licht of mistlicht.

Retroreflectoren

Een auto moet aan de achterzijde zijn voorzien van twee niet-driehoekige rode retroreflectoren.

De retroreflectoren mogen ook in het glas van de achterlichten zijn aangebracht.

Een auto die langer is dan 6 m moet aan elke zijkant zijn voorzien van tenminste twee niet-driehoekige ambergele retroreflectoren.

Remlicht

Een auto moet zijn voorzien van drie remlichten, waarvan er één op het midden van de achterzijde van de auto is aangebracht (auto’s in gebruik genomen vóór 1-10-2001 moeten minimaal twee remlichten voeren). De inrichtingseisen zijn dat de remlichten moeten helder rood licht uitstralen als de bedrijfsrem wordt bediend en moeten uitgaan als er niet meer wordt geremd.

Kentekenplaat

Een auto moet zowel aan de voor- als aan de achterzijde zijn voorzien van goedgekeurde gele GAIK kentekenplaten. GAIK staat voor Gecontroleerde Afgifte en Inname Kentekenplaten. De platen moeten goed zichtbaar en leesbaar zijn en mogen niet geheel of gedeeltelijk zijn afgedekt door bijvoorbeeld een trekhaak of lading.

Kentekenplaatverlichting

Een auto moet gezien de inrichtingseisen aan de achterzijde zijn voorzien van kentekenplaatverlichting. Deze verlichting moet gelijktijdig branden met het stadslicht, dimlicht, groot licht of mistlicht.

Toegestane voorzieningen

Alle auto’s mogen zijn voorzien van:

  • twee mistlichten aan de voorzijde;
  • bochtlichten;
  • hoeklichten;
  • werklichten;
  • zijmarkeringslichten;
  • twee extra richtingaanwijzers aan de achterzijde;
  • één extra zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant;
  • extra waarschuwingsknipperlichten aan de achterzijde;
  • ambergele retroreflectoren aan elke zijkant;
  • twee witte retroreflectoren aan de voorzijde;
  • extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten;
  • parkeerlichten, als de auto niet langer is dan 6 m en/of niet breder is dan 2 m;
  • twee markeringslichten aan de voorzijde en twee aan de achterzijde als de auto breder is dan 1,80 m;
  • een ruitenwisser voor de achterruit.
  • een reservewiel met voldoende profieldiepte (1,6 mm) en een juiste bandenspanning.

Het is raadzaam om steeds een gevarendriehoek, reservelampen, zekeringen en een reservewiel in de auto bij u te hebben.

Woonerven

Woonerven

Woonerven bestaan uit één of meerdere straten zonder trottoir, voetpad of fietspad. U moet rekening houden met niet gemarkeerde voorwerpen en onregelmatigheden in de weg, zoals drempels, bloembakken, paaltjes, bomen en speeltoestellen voor kinderen. Deze maatregelen zijn genomen om het karakter van het erf te benadrukken en het verkeersgedrag van bestuurders te beïnvloeden.

Verkeersregels binnen een erf

Voetgangers en kinderen mogen wegen gelegen binnen een erf over de volle breedte gebruiken. Spelen, praatje maken, wandelen en op banken zitten is overal toegestaan. Zij zijn hier de hoofdfiguren. Bestuurders mogen binnen een erf niet sneller rijden dan 15 km per uur. Omdat bestuurders zich (soms onbewust) niet houden aan genoemde snelheid, kunnen ter extra attentie aparte snelheidsborden geplaatst worden.

Woonerven

Verder moet u als bestuurder steeds rekening houden met voetgangers en spelende kinderen. U mag hen niet hinderen of in gevaar brengen. Het rijverkeer is hier dus ondergeschikt aan het voetgangersverkeer. Het kan voorkomen dat u moet stoppen en even moet wachten.

Binnen een erf moet u dezelfde voorrangsregels toepassen als op kruispunten van gelijkwaardige wegen. Dat betekent dat u alle bestuurders van rechts voorrang moet verlenen.

Parkeren

Bestuurders van motorvoertuigen en van brommobielen mogen hun voertuig uitsluitend parkeren op de als zodanig aangeduide of aangegeven voor parkeren bestemde weggedeelten. Deze plaatsen zijn kenbaar gemaakt door bord E4 of door de letter ‘P’ op de weg. Dat geldt ook voor het parkeren van een motorfiets. Deze voertuigen zijn meestal zo omvangrijk dat parkeren buiten de parkeergelegenheden meestal overlast zal opleveren.

Als het erf tevens is aangeduid als parkeerschijfzone, moet u -voor het parkeren van voertuigen- zich houden aan de parkeerregels voor die zones.

Fietsen, snorfietsen en bromfietsen moeten worden geplaatst op het trottoir, voetpad of in de berm. Maar omdat in erven deze weggedeelten ontbreken en de als zodanig aangeduide of aangegeven parkeergelegenheden uitsluitend bedoeld zijn voor motorvoertuigen, mogen zij binnen een erf op alle andere plaatsen worden geplaatst. Natuurlijk op een zodanige wijze dat daardoor geen gevaar of hinder ontstaat of dat de doorgang voor andere weggebruikers wordt geblokkeerd.

Het verlaten van een erf

De in- en uitgang van een erf is meestal uitgevoerd als in- en uitrit (doorlopend trottoir). Als u vanuit een uitrit de weg wilt oprijden moet u alle weggebruikers, dus ook voetgangers, voor laten gaan.

Bromfiets praktijkexamen

Bromfiets PRAKTIJKEXAMEN

Het bromfiets praktijkexamen is vaak je eerst examen bij het CBR. Of misschien is het een herexamen. Check vooraf of je alle benodigde documenten bij je hebt. En zorg dat je op tijd aanwezig bent op het examencentrum. Dat geeft rust.

Meenemen naar het examen

  • Je geldige identiteitsbewijs. Zonder identiteitsbewijs kun je geen examen doen.
  • De officiële uitnodiging voor je praktijkexamen. Hierop staan ook de uitzonderingen genoemd voor de benodigde documenten.

Hoe verloopt het praktijkexamen?

Een praktijkexamen bromfiets duurt 45 minuten. Zorg dat je ruim op tijd aanwezig bent (ongeveer 15 minuten). Dat geeft rust, zo vlak voor je examen. Ga zitten tot je examinator je roept. Je legt het examen af op een bromfiets (geen snorfiets, speed pedelec, trike of quad). Je rijinstructeur mag meerijden (op een eigen bromfiets) en bij het eindgesprek met de examinator aanwezig zijn. Het examen verloopt zo:

  • Je maakt eerst kennis met de examinator. Die legt uit hoe je examen verloopt.
  • Je examinator controleert je identiteitsbewijs. Ook checkt hij of je bent geslaagd voor je theorie-examen. 
  • Je krijgt van de examinator een ontvangertje. Daarmee kun je de aanwijzingen en opdrachten van de examinator tijdens de rit horen.
  • Hierna begint de rit. Die duurt ten minste 25 minuten.
  • De examinator volgt je op een bromfiets. 
  • De examinator toetst of je veilig en zelfstandig kunt rijden. En of je voldoende rekening houdt met andere weggebruikers. De examinator let onder andere op: 
    • je beheersing van de bromfiets
    • kijkgedrag
    • of je goed voorrang verleent
    • inhalen
    • rijden op kruispunten en rotondes

Je krijgt tijdens het examen alle gelegenheid om te laten zien wat je kunt. Helemaal foutloos hoeft niet, het gaat om het totaalbeeld. Belangrijk is hoe je reageert op het overige verkeer en of je de situatie meester bent. Kortom, de examinator bekijkt of je voldoende in huis hebt om veilig en zelfstandig aan het verkeer deel te nemen.

Direct na afloop van de rit krijg je in het CBR-examencentrum te horen of je geslaagd bent.

Hoe verloopt het praktijkexamen?

Een praktijkexamen bromfiets duurt 45 minuten. Zorg dat je ruim op tijd aanwezig bent (ongeveer 15 minuten). Dat geeft rust, zo vlak voor je examen. Ga zitten tot je examinator je roept. Je legt het examen af op een bromfiets (geen snorfiets, speed pedelec, trike of quad). Je rijinstructeur mag meerijden (op een eigen bromfiets) en bij het eindgesprek met de examinator aanwezig zijn. Het examen verloopt zo:

  • Je maakt eerst kennis met de examinator. Die legt uit hoe je examen verloopt.
  • Je examinator controleert je identiteitsbewijs. Ook checkt hij of je bent geslaagd voor je theorie-examen. 
  • Je krijgt van de examinator een ontvangertje. Daarmee kun je de aanwijzingen en opdrachten van de examinator tijdens de rit horen.
  • Hierna begint de rit. Die duurt ten minste 25 minuten.
  • De examinator volgt je op een bromfiets. 
  • De examinator toetst of je veilig en zelfstandig kunt rijden. En of je voldoende rekening houdt met andere weggebruikers. De examinator let onder andere op: 
    • je beheersing van de bromfiets
    • kijkgedrag
    • of je goed voorrang verleent
    • inhalen
    • rijden op kruispunten en rotondes

Je krijgt tijdens het examen alle gelegenheid om te laten zien wat je kunt. Helemaal foutloos hoeft niet, het gaat om het totaalbeeld. Belangrijk is hoe je reageert op het overige verkeer en of je de situatie meester bent. Kortom, de examinator bekijkt of je voldoende in huis hebt om veilig en zelfstandig aan het verkeer deel te nemen.

Direct na afloop van de rit krijg je in het CBR-examencentrum te horen of je geslaagd bent.

Hoe verloopt het praktijkexamen?

Een bromfiets praktijkexamen duurt 45 minuten. Zorg dat je ruim op tijd aanwezig bent (ongeveer 15 minuten). Dat geeft rust, zo vlak voor je examen. Ga zitten tot je examinator je roept. Je legt het examen af op een bromfiets (geen snorfiets, speed pedelec, trike of quad). Je rijinstructeur mag meerijden (op een eigen bromfiets) en bij het eindgesprek met de examinator aanwezig zijn. Het examen verloopt zo:

  • Je maakt eerst kennis met de examinator. Die legt uit hoe je examen verloopt.
  • Je examinator controleert je identiteitsbewijs. Ook checkt hij of je bent geslaagd voor je theorie-examen. 
  • Je krijgt van de examinator een ontvangertje. Daarmee kun je de aanwijzingen en opdrachten van de examinator tijdens de rit horen.
  • Hierna begint de rit. Die duurt ten minste 25 minuten.
  • De examinator volgt je op een bromfiets. 
  • De examinator toetst of je veilig en zelfstandig kunt rijden. En of je voldoende rekening houdt met andere weggebruikers. De examinator let onder andere op: 
    • je beheersing van de bromfiets
    • kijkgedrag
    • of je goed voorrang verleent
    • inhalen
    • rijden op kruispunten en rotondes

Je krijgt tijdens het examen alle gelegenheid om te laten zien wat je kunt. Helemaal foutloos hoeft niet, het gaat om het totaalbeeld. Belangrijk is hoe je reageert op het overige verkeer en of je de situatie meester bent. Kortom, de examinator bekijkt of je voldoende in huis hebt om veilig en zelfstandig aan het verkeer deel te nemen.

Direct na afloop van de rit krijg je in het CBR-examencentrum te horen of je voor je bromfiets praktijkexamen geslaagd bent.

 

bromfiets praktijkexamen