• +088- 040 6600
  • info@tomtheorie.nl

Blogarchief

Signalen

Gebruik van signalen

Signalen. Het op correcte wijze en op het juiste moment signalen geven ter afwending van dreigend gevaar kan voorkomen dat ongevallen ontstaan. Bestuurders met verkeersinzicht en sociaal verkeersgedrag zien meestal het dreigend gevaar tijdig aankomen. En passen zich daarop aan, zodat zij zelden gebruik hoeven te maken van deze signalen.

Gevaarsignaal

Bestuurders mogen slechts geluids- of knippersignalen geven ter afwending van dreigend gevaar. Een geluidssignaal geeft u met een bel of claxon en knippersignalen door snel herhaald in- en uitschakelen van de grote- of dimlichten. Signalen mogen niet langer duren dan nodig is. Wanneer u een geluids- dan wel een knippersignaal moet geven is afhankelijk van de situatie en omstandigheden ter plaatse.

Bijzondere signalen

Bestuurders van motorvoertuigen van politie, brandweer, spoedeisende medische dienstverlening en andere officieel aangewezen hulpverleningsdiensten mogen blauwe zwaai-, flits- en/of knipperlichten en een tweetonige hoorn voeren. Hiermee maken ze kenbaar een dringende taak te vervullen. Zij mogen in die gevallen overdag ook knipperende koplampen voeren.

Signalen Brandweer

Zodra deze bestuurders gebruik maken van deze signalen behoren zij tot de categorie ‘voorrangsvoertuigen’ . En genieten zij de daaraan verbonden voorrechten.

Bestuurders van motorvoertuigen, brommobielen, bromfietsers en snorfietsers mogen met hun voertuig geen onnodig geluid maken.

Andere bijzondere signalen

Bestuurders van motorvoertuigen die officieel zijn aangewezen om werkzaamheden te verrichten, zoals wegwerkzaamheden, sleep- of takelwerkzaamheden, hulpverlening bij ongevallen, sneeuw en gladheidbestrijding, mogen tijdens hun werkzaamheden gele of groene zwaai- en/of knipperlichten voeren. De bestuurders van voorrangsvoertuigen mogen dan in plaats van gele zwaai- en/of knipperlichten blauwe zwaai- en/of knipperlichten voeren.

Geel of groen zwaai-. knipper- of flitslicht

Motorvoertuigen die gebruikt worden bij werkzaamheden aan de weg zoals: sleep- of takelwerkzaamheden, hulpverleningsdiensten bij ongevallen, sneeuw en gladheidsbestrijding mogen een geel zwaai- of knipperlicht gebruiken. De hiervoor genoemde voorrangsvoertuigen zoals politie, brandweer en ambulance, voeren in die situaties ook geel zwaai-, flits- of knipperlicht.

Wanneer een ambulance als eerste bij een grootschalig ongeval aankomt, voert de bemanning daarvan de medische coördinatie uit. Die ambulance zal niet gebruikt worden voor gewondentransport en voert dan als enige een groen zwaai-, flits- of knipperlicht.

Een ambulance die een groen zwaai-, flits- of knipperlicht voert is géén voorrangsvoertuig!

Tunnel

Tunnels

Tunnels

In tunnels of op een route voor gevaarlijke stoffen gelden nagenoeg dezelfde verkeersregels als op andere wegen. Een tunnel maakt evenals bruggen en viaducten deel uit van de weg. Toch zijn tunnels of routes voor gevaarlijke stoffen weggedeelten waar u uw verkeersgedrag extra goed moet aanpassen aan de verkeersomstandigheden.

Verbod en route van bepaalde gevaarlijke stoffen

Bord C22

Voertuigen die bepaalde gevaarlijke stoffen vervoeren en die volgens de ‘Wet Gevaarlijke Stoffen’ geen gebruik mogen maken tunnels of daartoe aangewezen wegen, moeten de route voor het vervoer van bepaalde gevaarlijke stoffen volgen. Op de toeleidende weg naar een tunnel of een daartoe aangewezen weg wordt door bord C22 met een onderbord ruim van te voren de voorwaarschuwing gegeven voor welke gevaarlijke stoffen de tunnel of de weg is gesloten

Bord C22 kan voorzien worden van een onderbord, waarmee het verbod wordt beperkt. De voor heel Europa vastgestelde categorieën zijn: A, B, C, D en E.

Voor het vervoer door tunnels of over wegen van de categorie A gelden geen beperkingen. Daar mogen de gevaarlijke stoffen dus door en over vervoerd worden. De letter A wordt niet aangegeven op de onderborden. Als er een routeringsbord voor gevaarlijke stoffen staat zonder onderbord geldt dit automatisch voor de categorie A.

De bestuurder die gevaarlijke stoffen vervoert moet weten met welke stoffen er op een bepaalde route gereden mag worden. Op het vervoersbewijs dient aangegeven te worden door welke tunnels of over welke wegen de stoffen vervoerd mogen worden. Met personenauto’s worden meestal geen gevaarlijke stoffen vervoerd. Hoewel de benzine, diesel en LPG in de brandstoftanks van motorvoertuigen ook onder het begrip gevaarlijke stoffen vallen, mogen deze uiteraard wel vervoerd worden. Dat geldt ook voor een maximale reservevoorraad van 60 liter, op voorwaarde dat deze in een daarvoor bestemde verpakking (jerrycan) wordt meegevoerd.

Door bord K14 (route voor het vervoer van bepaalde gevaarlijke stoffen) wordt tevens ruim voor de tunnel aangegeven welke andere route er dan gevolgd moet worden.

Deze route wordt ook door dit bord aangegeven

Bord K14 tunnel

Verlichting

De meeste tunnels zijn voorzien van goede verlichting. Toch is het veiliger om ook bij dag in tunnels verlichting te voeren. Daarom staat ruim voor de tunnel een blauw bord met de tekst ‘ontsteek uw lichten’. Schakel het dimlicht tijdig in, dus ruim voordat u de tunnel inrijdt. Vooral in een minder goed verlichte tunnel kunnen bestuurders achter u uw oplichtende achterlichten wel eens aanzien voor remlichten en daardoor zelf onnodig remmen. Rijd ook nooit met een zonnebril op de tunnel in.

Schakel bij dag na het uitrijden van de tunnel het dimlicht weer uit.

Pech in een tunnel

Krijgt u pech in een tunnel, die niet voorzien is van een vluchtstrook of vluchthaven, dan kunt u toch proberen de tunnel uit te rijden. Natuurlijk zal dat niet in alle gevallen mogelijk zijn, maar met slechts een lekke band kunt u meestal wel met een lage snelheid door blijven rijden. Het is toch veiliger om langzaam de tunnel uit te rijden, dan dat u op de rijbaan in de tunnel stopt. Als door de pech doorrijden niet mogelijk of onverantwoord is, laat dan duidelijk aan de achteropkomende bestuurders zien, dat u wilt gaan stoppen door uw remlichten enige keren aan en uit te laten gaan. Het gebruik van de waarschuwingsknipperlichten is niet alleen toegestaan, maar ten zeerste aanbevolen. Als u geleidelijk uw snelheid heeft verminderd gaat u uiterst rechts stoppen. Als er wel een vluchtstrook aanwezig is plaatst u, zoals voorgeschreven, de gevarendriehoek. Laat zo mogelijk de verlichting branden en zet ook dan de waarschuwingslichten aan.

Zorg er altijd voor dat er voldoende brandstof aanwezig is als u door een tunnel wilt rijden!

Stoppen en verbod stil te staan

U mag uw voertuig niet uit vrije wil en zonder verkeersnoodzaak laten stilstaan in een tunnel. Stoppen door pech, rood verkeerslicht, filevorming of een ongeval doet u niet uit vrije wil en is dus wel toegestaan. Als u gestopt bent moet u de motor afzetten, behalve als deze nodig is voor de verzorging van de lading. Het verbod stil te staan geldt niet onder bruggen en viaducten. Als het nodig is, kan het verbod met bord E2 of een gele doorgetrokken streep worden aangegeven.

Bord E2 stoppen stilstaan

Vluchtwegen uit tunnels, op bruggen en bij geluidswallen

Bij calamiteiten, zoals bijvoorbeeld een brand in een tunnel, kan het noodzakelijk zijn de tunnel zo snel mogelijk te verlaten. Om u daarbij te helpen heeft de wegbeheerder bordjes volgens model L 19 geplaatst. Deze bordjes kunnen ook voorkomen op auto(snel)wegen bij geluidsschermen, geluidswallen en op bruggen.

Autowegen

Autowegen

Aan het begin van autowegen is bord G3 geplaatst. De doorgaande rijbaan van een autoweg is door bord B1 aangewezen als voorrangsweg.

Aan het einde van een autoweg is bord G4 geplaatst. De meeste autowegen worden aangeduid als N-wegen.

Het gebruik van de autoweg is slechts toegestaan voor bestuurders van motorvoertuigen waarmee met een snelheid van tenminste 50 km per uur mag en kan worden gereden.

Een autoweg heeft meestal gelijkvloerse kruispunten en vaak geen gescheiden rijbanen. Houd daarom ook rekening met tegenliggers als u op deze enkelbaans wegen wilt inhalen en let op het dwarsverkeer. Langs een autoweg zijn dikwijls vluchthavens aangebracht en brede autowegen hebben soms een vluchtstrook.

Invoegen

Een autoweg heeft doorgaans een korte (doodlopende) invoegstrook en meestal ontbreekt een vluchtstrook. Nader dan ook met aangepaste snelheid het begin van de invoegstrook en kijk naar de naderende bestuurders. Is invoegen niet mogelijk bijvoorbeeld tijdens grote verkeersdrukte, stop dan aan het begin van de korte invoegstrook en wacht daar op een veilige invoeggelegenheid. Invoegen is een bijzondere manoeuvre. U moet het overige verkeer voor laten gaan.

Autowegen zijn veelal voorrangswegen. Daarom zult u bij gelijkvloerse kruispunten bord B6 aantreffen.

Op enkelbaans autowegen moet u ook goed opletten op tegemoetkomende inhalende bestuurders die op uw weghelft rijden. Ze zijn hun inhaalmanoeuvre waarschijnlijk al begonnen op een moment dat u de invoegstrook naderde of aan het begin er op stilstond.

Naderen er van nabij geen bestuurders op de doorgaande rijbaan, gebruik dan voldoende lengte van de korte invoegstrook om uw snelheid zoveel mogelijk aan te passen. Kijk ook regelmatig in de binnenspiegel en linker buitenspiegel om de afstand, soort motorvoertuig en hun naderingssnelheid vast te kunnen stellen. Niet achterom kijken, u kunt dan de controle over de besturing en het zicht op eventuele voertuigen voor u verliezen. Wees ook bedacht op haastige bestuurders die achter u al eerder met invoegen zijn begonnen en plotseling vanuit uw ‘dode hoek‘ te voorschijn komen.

Autospiegels

Kijk voordat u invoegt nog eens in de binnenspiegel en linker buitenspiegel en links opzij (dode hoek). Kunt u veilig invoegen, dan moet u vlak voor dat u invoegt links richting aangeven. Ga dan in een vloeiende beweging over op de doorgaande rijbaan. Meteen na het invoegen zet u de richtingaanwijzer af en moet u nog eens controleren of uw snelheid wel voldoende is aangepast. Het in één beweging doorgaan vanaf de invoegstrook naar een andere rijstrook dan de meest rechtse, is niet aan te bevelen i.v.m. de (grote) dode hoek.

Autospiegels dode hoek

Wanneer u een invoegmogelijkheid verkeerd heeft beoordeeld en u kunt aan het einde van de korte invoegstrook niet veilig invoegen, dan moet u stoppen en daar wachten op een zeer ruime invoegmogelijkheid. Benut daarna het eventuele resterende gedeelte van de korte invoegstrook om snelheid te maken en blijf op de doorgaande rijbaan uw snelheid verhogen tot u een aangepaste snelheid hebt.

Als u vanaf een parkeergelegenheid of vluchthaven wilt invoegen op de doorgaande rijbaan, dan moet u hetzelfde handelen als op een korte invoegstrook.

Plaats op de weg

Op autowegen moet u ook, zoals op andere wegen, rechts rijden. Is de doorgaande rijbaan verdeeld in meerdere rijstroken in een richting dan moet u ook zoveel mogelijk op de meest rechts gelegen rijstrook rijden. Alleen tijdens verkeersdrukte, als in files naast elkaar rijden ter plaatse aanvaardbaar is, tijdens het inhalen en het naar links voorsorteren, mag u de linker rijstrook gebruiken. De vlucht haven of vluchtstrook mag u uitsluitend gebruiken in geval van noodzaak.

Snelheid autowegen

Op autowegen is voor u geen minimumsnelheid van kracht, maar u mag niet onnodig langzamer rijden dan het overige verkeer ter plaatse, zodat u hen daarmee hindert of de veiligheid in gevaar brengt.

U moet dus uw snelheid zoveel mogelijk aan het andere verkeer aanpassen, natuurlijk met inacht neming van de maximumsnelheid ter plaatse.

Op autowegen -buiten de bebouwde kom- gelden de volgende maximumsnelheden: – voor motorvoertuigen geldt een maximumsnelheid van 100 km per uur;

  • voor motorvoertuigen met aanhangwagen, kampeerwagens die volgens het kentekenbewijs behoren tot de categorie bedrijfsauto’s en waarvan de toegestane maximummassa meer bedraagt dan 3500 kg, vrachtauto’s en autobussen, niet zijnde T100-bussen, 80 km per uur;
  • voor T100-bussen, 100 km per uur;
  • en ook voor personenauto’s, bestelauto’s, motorfietsen, driewielige motorvoertuigen en T100-bussen. Die een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3500 kg voortbewegen, 90 km per uur.

Deze maximumsnelheid blijft voor deze groep weggebruikers ook van kracht als verkeerstekens een hogere maximumsnelheid aangeven dan hun vastgestelde maximumsnelheid.

Met verkeersborden of elektronische signaleringsborden kan een lagere maximumsnelheid worden aangegeven. Op autowegen kan ook met borden een adviessnelheid worden aangegeven.

Vluchthaven

Vluchthaven Autowegen

Autowegen zijn meestal voorzien van vluchthavens. Deze havens worden meestal aangegeven door het blauwe vluchthavenbordje. U mag uitsluitend in geval van noodzaak gebruik maken van deze havens. Bijvoorbeeld technische storing, hulpverlening en/of getuige bij een ongeval. Maar ook bij bijzonder slechte weersomstandigheden, ziekte of onwel worden van inzittenden, sanitaire stop voor ouderen en kinderen, noodzakelijke controle van de lading en een tekort aan brandstof.

Omdat vluchthavens niet zo lang zijn moet u voor het gebruik hiervan reeds op de rijbaan uw snelheid minderen. Om zodoende met veilige snelheid de vluchthaven te kunnen oprijden. Laat dit tijdig zien aan de achteropkomende bestuurders door rechts richting aan te geven (eventueel ook met remsignalen). Plaats uw voertuig uiterst rechts op de vluchthaven en blijf zelf ook zoveel mogelijk rechts naast de auto.

Op de vluchthaven moet u bij motorvoertuigen op meer dan twee wielen en aanhangwagens de gevarendriehoek plaatsen. Als het voertuig een obstakel vormt dat door naderende bestuurders en niet tijdig kan worden opgemerkt. De gevarendriehoek moet goed zichtbaar rechts op de weg worden geplaatst op een afstand van ongeveer 30 m van het stilstaande voertuig. In de richting van het verkeer waarvoor het voertuig gevaar op kan leveren. De verplichting tot het plaatsen van een gevarendriehoek vervalt als de waarschuwingsknipperlichten worden gebruikt. Maar vindt u onder gegeven omstandigheden het veiliger om de gevarendriehoek ook te plaatsen, dan mag u dat doen.

Vluchtstrook

Als u weer aan het rijdende verkeer wilt deelnemen moet u goed opletten. U kunt niet zoals op een vluchtstrook snelheid maken. U zal dus moeten wachten totdat de rijbaan voldoende vrij is. Op enkelbaans autowegen moet u ook goed opletten op tegemoetkomende inhalende bestuurders die op uw weghelft rijden. Ze zijn hun inhaalmanoeuvre waarschijnlijk al begonnen op een moment dat u nog stil stond op de vluchthaven. Kunt u veilig invoegen, dan moet u vlak voor dat u invoegt links richting aangeven. Ga dan in een vloeiende beweging over op de doorgaande rijbaan. Meteen na het invoegen zet u de richtingaanwijzer af en moet u nog eens controleren of uw snelheid wel voldoende is aangepast.

Parkeerplaatsen

Parkeerplaatsen langs autowegen worden met bord E4 aangeduid. Omdat deze parkeerplaatsen meestal niet zijn voorzien van invoeg- en uitrijstroken moet u dezelfde handelingen verrichten als bij vluchthavens.

Uitrijstrook rechts

Wilt u rechtsaf de doorgaande rijbaan van een autoweg verlaten dan moet u gebruik maken van de rechter uitrijstrook. Zorg dat u tijdig rechts rijdt. Elke afrit wordt met bewegwijzeringsborden aangegeven. Het eerste bord geeft aan dat over 900 m een (gelijkvloers)kruispunt volgt en geeft ook enige plaatsnamen in de rechtdoorgaande richting aan.

Het eerste bewegwijzerings bord staat op 900 m afstand van de afrit.

Bij het tweede bord staat op 600 m afstand van de afrit en geeft een plaatsnaam in de linksaf richting aan.

Het derde bord staat op 300 m afstand van de afrit en geeft een plaatsnaam in de rechtsaf richting aan. Dat is ongeveer de plaats waar u met behulp van de spiegels nog eens extra let op achteropkomende bestuurders en rechts richting aangeeft.

Minder geen snelheid op de doorgaande rijbaan als dat niet nodig is. Bij het vierde en tevens laatste bord rijdt u het begin van de (korte) uitrijstrook op.

Pas op de uitrijstrook mindert u snelheid door gas terug te nemen en/of af te remmen. Op autowegen moet u bedacht zijn op korte uitrijstroken en dat aan het einde hiervan een scherpe bocht naar rechts volgt. Na het uitrijden zet u de richtingaanwijzer af.

Uitrijstrook links

Wilt u linksaf de doorgaande rijbaan van een autoweg verlaten, dan moet u gebruik maken van de linker uitrijstrook. Als de doorgaande rijbaan verdeeld is in meerdere rijstroken in één richting dan moet u tijdig op de linker rijstrook gaan rijden. Let van tevoren goed op achteropkomende bestuurders. Is de uitrijstrook kort en/of willen meerdere bestuurders links afslaan, dan bent u soms genoodzaakt reeds op de doorgaande rijbaan snelheid te minderen. Geef daarom eerst remsignalen voordat u definitief afremt.

Op gelijkvloerse kruispunten moet u voor links afslaan misschien stoppen om het rechtdoorgaande verkeer op dezelfde weg voor te laten gaan