• +088- 040 6600
  • info@tomtheorie.nl

Blogarchief

Spitsstrook

Spitsstrook

Spitsstrook

Op drukke autosnelwegen waar in de spits lange files ontstaan, mag u de vluchtstrook gebruiken als extra rijstrook om zodoende het fileprobleem enigszins tegen te gaan. Wanneer en over welke afstand u deze zogeheten spitsstrook mag gebruiken wordt met borden en/of rijstrooklichten aangegeven. Als de spitsstrook in gebruik is dan is deze strook ook voorzien van een groene pijl. Een gesloten spitsstrook wordt aangegeven door een rode pijl of door borden. Bij openstelling van de spitsstrook mag u de tussenliggende doorgetrokken streep overschrijden. Voor weggebruikers met pech zijn naast deze strook op regelmatige afstand vluchthavens aanwezig.

De snelheid

Als spitsstrook geopend of gesloten is heeft dat ook gevolgen voor de ter plaatse geldende snelheid. Dat is duidelijk aangegeven middels borden. Bijvoorbeeld: u mag maximaal 100 km per uur rijden als de spitsstrook open is en 120 km per uur bij een gesloten spitsstrook tussen 06.00 uur ’s morgens en 19.00 uur ’s avonds. En, let op, tussen 19.00 uur en 06.00 uur ’s morgens mag u 130 km per uur rijden, want dan geldt er geen beperking. Even goed nadenken dus.

 

Achtergrond informatie

Bij een spitsstrook wordt de vluchtstrook ingericht tot extra rijstrook tijdens de spitsuren. De meesten hiervan bevinden zich op autosnelwegen met 2×2 rijstroken, maar breder is in principe ook mogelijk. Fysiek wordt er relatief weinig aangepast. De grootste aanpassingen zijn het creëren van vluchthavens voor pechgevallen en eventueel het aanpassen van aansluitingen. De markering wordt toegepast met een ontwerp als de spitsstrook gesloten is, het grootste aantal uren van de dag. Dit betekent dat verkeer dat over de geopende spitsstrook rijdt, de doorgetrokken kantmarkering mag en moet overschrijden. Daarbij mag en moet het verkeer over niet-opgevulde puntstukken rijden bij aansluitingen. Verkeer dat bij een gesloten spitsstrook uit wil voegen naar een afrit dient dat twee maal te doen, vanaf de rechterrijstrook naar de spitsstrook en vervolgens naar de uitvoegstrook. Tevens worden bij spitsstroken een smalle kantmarkering toegepast aan de rand van de spitsstrook. Uiteraard is het van belang dat de spitsstrook minimaal even breed is als de normale rechterrijstrook om het vrachtverkeer te kunnen verwerken. In Nederland is dit geen probleem, aangezien vluchtstroken hiervoor standaard breed genoeg zijn. Spitsstroken worden geschouwd met camera’s die op korte intervallen zijn geplaatst. Als de camera’s uitvallen, of er geen zicht is vanwege mist, mag de spitsstrook niet opengesteld worden.

Openstelling

Oorspronkelijk werden de spitsstroken vanaf een uurintensiteit van 1.500 voertuigen per rijstrook opengesteld. In 2011 is dit veranderd naar 1.350 voertuigen per uur per rijstrook. De spitsstroken zijn daarmee een half uur tot een uur langer per dag open. Sindsdien zijn spitsstroken beduidend langer geopend, waarmee met name groei is in het aantal geopende uren bij een rustige verkeerssituatie, daarnaast nam de openingsduur ook toe doordat in die tijd een aantal nieuwe spitsstroken zijn toegevoegd. Daarentegen zijn spitsstroken gemiddeld slechts 8-10% geopend bij rustig verkeer. Dit hangt mogelijk samen met de werkdruk in de verkeerscentrale. Voordat een spitsstrook opengesteld kan worden moet er geschouwd worden. Om deze piek beter te verdelen worden spitsstroken soms al vroegtijdig geopend. Bij de openstellingsduur van een spitsstrook doet zich ongeveer een kwart van de tijd druk verkeer door, dit is de piek van de spits. Bij tweederde van de geopende tijd betreft het middeldruk verkeer, en bij 10% of minder van de tijd is de spitsstrook geopend bij rustig verkeer. De gemiddelde openingsduur per spitsstrook steeg van 3 uur per dag in 2006 naar 6 uur per dag in 2013.

Verkeersveiligheid

Door het openstellen van spitsstroken verbetert de doorstroming en nemen met name het aantal kop-staartaanrijdingen af. Echter ook blijkt dat het ongevalsrisico op snelwegen met spitsstroken hoger ligt dan reguliere situaties als de I/C-verhouding lager ligt dan 0,3 of hoger dan 0,7. Bij situaties met een I/C-verhouding tussen 0,3 en 0,7 is het ongevalsrisico niet noemenswaardig hoger dan bij reguliere situaties. Dit betreft een vergelijking tussen autosnelwegen met 2 rijstroken en een spitsstrook (rechts) en autosnelwegen met 3 rijstroken en een vluchtstrook, de meest voorkomende situatie met spitsstroken in Nederland. In het geval van een spitsstrook links (plusstrook) is het ongevalsrisico bij een I/C-verhouding van lager dan 0,3 hoger, maar in tegenstelling tot een spitsstrook rechts is het ongevalsrisico bij een hoge I/C-verhouding niet hoger. Hiermee zijn spitsstroken links (plusstroken) in drukke situaties veiliger dan spitsstroken rechts. Het ongevalsrisico bij spitsstroken rechts is rond aansluitingen wezenlijk hoger dan in situaties zonder spitsstroken, zowel in geopende als gesloten toestand.

Gebruik

Spitsstroken worden hoofdzakelijk intensief benut bij drukke verkeerssituaties. In dat soort gevallen is alle beschikbare capaciteit nodig om het verkeer te laten doorstromen. In middeldrukke situaties is het gebruik van de spitsstrook rechts al wezenlijk lager, en bij rustige situaties ligt het gebruik van de spitsstrook significant lager dan de andere rijstroken.[8] Dit lijkt samen te hangen met het feit dat als het niet erg druk is, hoofdzakelijk vrachtverkeer van de spitsstrook gebruik maakt, en overig verkeer de reguliere twee rijstroken gebruikt. In het geval van een spitsstrook links (plusstrook) ligt het gebruik in alle situaties significant lager ligt dan de reguliere rijstroken. Dit lijkt samen te hangen met het feit dat plusstroken vaak smal zijn. Echter bij plusstroken ligt de gereden snelheid significant hoger dan op de reguliere rijstroken. Dit lijkt samen te hangen met het feit dat de strook minder druk is en verkeer op de linker rijstroken traditioneel sneller rijdt dan op de andere rijstroken. Bij rustige situaties bij geopende spitsstroken rechts wordt de ingestelde maximumsnelheid bovendien massaal overschreden op de reguliere rijstroken, waardoor een groot snelheidsverschil ontstaat tussen de spitsstrook en overige rijstroken.

Tegenkomen

Tegenkomen

Bij het tegenkomen van andere weggebruikers moet u en het tegemoetkomende verkeer -indien nodig- zover naar rechts uitwijken dat er voldoende zijdelingse afstand blijft.

Voornamelijk op smalle wegen zullen beide bestuurders moeten uitwijken en elkaar voorzichtig voorbijrijden.

Kunt u om een of andere reden niet naar rechts uitwijken door bijvoorbeeld een rijbaanversmalling of obstakel, dan moet u uw snelheid daarop aanpassen of stoppen om het tegemoetkomende verkeer voor te laten gaan. Stop op ruime afstand, u kunt dan beter langs het obstakel kijken en het voorkomt dat u eerst achteruit moet rijden.

Zijn beide weggedeeltes door obstakels geblokkeerd dan moet u dat samen oplossen, bijvoorbeeld met handgebaren. Vanzelfsprekend gaat de bestuurder in de moeilijkste positie voor.

Bord F5

Nadert u een versmalling in de weg, bijvoorbeeld een smalle overweg, wegreparaties of smalle bruggen, dan zijn meestal de borden F5 en F6 geplaatst die de doorgang regelen. Bord F5 betekent dat bestuurders niet door mogen gaan bij (gelijktijdige of nagenoeg gelijktijdige) nadering van verkeer uit tegengestelde richting. U moet voetgangers hier dus ook voor laten gaan.

U moet hier alle verkeer voor laten gaan.

De voetganger is ook een verkeersdeelnemer.

Bord F5

Bord F6

Bord F6 betekent dat bestuurders, die uit tegengestelde richting naderen, u voor moeten laten gaan. De borden F5 en F6 gelden niet voor voetgangers. Zij vallen wel onder de bescherming van deze borden, maar niet onder de verplichtingen. Voetgangers mogen bij deze borden dus in beide richtingen doorlopen.

Als u bord F6 nadert, is het mogelijk dat er zich reeds bestuurders op de smalle doorgang bevinden. U moet hen dan de gelegenheid geven om de doorgang te kunnen verlaten voordat u door mag rijden.

F6

Bij lange wegopbrekingen, waarover ruime afstand voor het verkeer maar één rijbaanhelft beschikbaar is, kan de doorgang in plaats van door deze borden ook door (verplaatsbare) driekleurige verkeerslichten geregeld zijn.

Uitwijkplaatsen

De borden L20 en L21 zijn informatieve verkeersborden om een uitwijkplaats op smalle wegen aan beide zijden aan te geven. Als u goed anticipeert en tijdig gebruik maakt van de uitwijkplaats kunnen gevaarlijke situaties voorkomen worden.

Bord L21 en L21 Tegenkomen

 

Afslaan

Afslaan

Rechts afslaan

Wilt u naar rechts afslaan, dan moet u:

  • eerst kijken in de binnenspiegel, dan naar voren, in de rechterbuitenspiegel en over de rechterschouder voor de dode hoek;
  • als het veilig is rechts richting aangeven;
  • in de meeste gevallen naar rechts voorsorteren.
  • het rechtdoorgaande verkeer op dezelfde weg -ook voetgangers- voor laten gaan. Voetgangers die ter plaatse bij geel knipperlicht in de vorm van een waarschuwingsdriehoek -op eigen risico- oversteken, hoeft u niet voor te laten gaan. – de bocht naar rechts kort nemen.

Fietsstroken gemarkeerd met een doorgetrokken streep mag u niet gebruiken. Fietsstroken gemarkeerd met een onderbroken streep mag u wel gebruiken, mits u niemand hindert. Dat geldt ook voor het gebruik van een (fiets)suggestiestrook. Houd ook extra rekening met bromfietsers op de rijbaan die rechtdoor gaan.

Links afslaan

Wilt u naar links afslaan, dan moet u:

  • eerst kijken in de binnenspiegel, dan naar voren, in de linkerbuitenspiegel en linksopzij voor de dode hoek;
  • als het veilig is links richting aangeven;
  • voorsorteren naar links. In de meeste gevallen kan het beste tegen de wegas worden voorgesorteerd, waarbij de wielen in de rechtuit stand blijven staan. Dat laatste is veiliger bij een eventuele kop-staart aanrijding.
  • het rechtdoorgaande verkeer op dezelfde weg (ook de voetgangers) voor laten gaan;
  • de bocht naar links ruim nemen.

 

Op wegen met uitsluitend éénrichtingsverkeer (aangeduid door bord C3) en op éénrichtingsrijbanen, kunt u het beste uiterst links voorsorteren.

Op wegen met éénrichtingsverkeer kunt u voor het links afslaan het best uiterst links voorsorteren.

Op wegen met beperkt éénrichtingsverkeer kunt u wel tegenliggers verwachten. Het zijn de voertuigen aangeduid op het onderbord van bord C3 met de tekst ‘uitgezonderd‘.

Afslaan

Op onvolledige éénrichtingswegen kunt u wel de uitgezonderde voertuigen tegenkomen. Daarom moet u zich hier houden aan dezelfde voorschriften als op twee richtingswegen.

U moet zich dan houden aan dezelfde voorschriften als op tweerichtingswegen:

Voetgangers die ter plaatse bij geel knipperlicht in de vorm van een waarschuwingsdriehoek  -op eigen risico- oversteken hoeft u niet voor te laten gaan.

U moet het verkeer, dat op dezelfde weg rechtdoor gaat, voor laten gaan.

Voorsorteren niet verplicht

Bestuurders die willen afslaan mogen voorsorteren. Voorsorteren wordt niet verplicht gesteld. Bestuurders moeten zelf verkeersinzichtelijk beoordelen wanneer zij wel of niet willen voorsorteren, tenzij verkeerstekens dit verplichten. U moet ook voorsorteren in situaties waarbij, als u dit niet doet, een onveilige situatie ontstaat of kan ontstaan of een vlotte doorstroming van het verkeer wordt of kan worden belemmerd. Maar er kunnen ook verkeersomstandigheden zijn, bijvoorbeeld op drukkere wegen en in smalle straatjes, waarbij voorsorteren gevaarlijker is dan niet voorsorteren.

Het voorsorteren voor links gelegen inritten op drukke wegen kan in bepaalde omstandigheden ook gevaar opleveren.

Vrachtauto‘s, zeker met een aanhangwagen, moeten vaak voor krappe bochten naar rechts, eerst naar links uitwijken om vervolgens naar rechts te kunnen afslaan. Daarom zal iedere bestuurder voor het afslaan, naar links of naar rechts verkeersinzichtelijk moeten denken en handelen.

 

Voorsorteerstroken

Uiteraard moet u tijdig bepalen welke richting u op een kruispunt wilt volgen. Bestuurders van motorvoertuigen, bromfietsers die de rijbaan volgen en bestuurders van brommobielen moeten dan gebruik maken van de voorsorteerstrook waarin deze richting wordt aangegeven. Op het kruispunt mag u uitsluitend die richting volgen, die de pijl in de strook aangeeft. Bord L4 (voorsorteren) kan van te voren zijn geplaatst om tijdig aan te geven dat u moet voorsorteren. Is de voorsorteerstrook voorzien van een doorgetrokken streep, dan mag u niet meer van strook veranderen.

 

Voor elkaar langs rijden

Hoewel het RVV 1990 (Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990) dit niet regelt, verdient het meestal de voorkeur dat u voor elkaar langs rijdt als de tegemoetkomende bestuurders op het kruispunt ook naar links willen afslaan.

In de meeste gevallen kunt u op kruispunten het beste en het veiligst voor elkaar langs rijden.

Om elkaar heen rijden

Op kruispunten met een (brede) middenberm verdient het de voorkeur dat u om elkaar heen rijdt als de tegemoetkomende bestuurders op het kruispunt ook naar links willen afslaan.

Op kruispunten in wegen met een brede middenberm moet u meestal om elkaar heen rijden, tenzij tekens op de weg anders aangeven.

Als op kruispunten met pijlen of andere tekens wordt aangegeven dat u voor elkaar langs of om elkaar heen moet rijden, dan moet u dat doen.

Samen dezelfde straat inrijden

Als u op een kruispunt naar links wilt afslaan, dan moet u tegemoetkomende bestuurders die naar rechts afslaan voor laten gaan (Korte bocht gaat voor lange bocht). Dat geldt niet voor bestuurders van trams. Deze moet u voor laten gaan, ongeacht of zij links of rechts afslaan.

U wilt links afslaan en moet de andere bestuurder, die naar rechts wil afslaan, voor laten gaan.

Afbuigende trams

U moet een afbuigende tram altijd voor laten gaan, ongeacht of u rechtdoor gaat of wilt afslaan op dezelfde weg. Dat geldt niet voor voetgangers en bestuurders van gehandicaptenvoertuigen die op een voetgangersoversteekplaats (zebrapad) oversteken of kennelijk op het punt staan dit te doen. Voor kruispunten waar trams rijden wordt u meestal gewaarschuwd door bord J14 tram(kruising).

Militaire colonne en uitvaartstoet van motorvoertuigen

Weggebruikers mogen ook een afslaande militaire colonne of een uitvaartstoet van motorvoertuigen niet doorsnijden. Dat betekent dat u de naar links afslaande uitvaartstoet voor moet laten gaan. Als de militaire colonne of de uitvaartstoet een kruispunt nadert (dus nog niet is opgegaan) moet zij zich houden aan de normale verkeersregels.

U mag de afslaande uitvaartstoet van motorvoertuigen niet doorsnijden. U moet de uitvaartstoet voor laten gaan. Hetzelfde geldt bij een militaire colonne.

Recht doorgaande motorrijders

Let u bij het linksaf slaan vooral op recht doorgaande motorrijders. Ze worden in zulke situaties nogal eens over het hoofd gezien door automobilisten. Probeert u zo ver mogelijk van het kruispunt het tegemoetkomende verkeer te observeren. Motorrijders voeren bijna altijd verlichting. Eén licht in de verte kan dus een motorfiets zijn. U moet er ook rekening mee houden dat de snelheid van de motorrijder in deze gevallen moeilijk is in te schatten. Wacht bij twijfel even met het oversteken.

voetgangersoversteekplaats

Voetgangersoversteekplaats

Voetgangersoversteekplaats

Een voetgangersoversteekplaats (zebrapad) is herkenbaar aan de in dwarsrichting van de rijbaan, fietspad of fiets-/bromfietspad aangebrachte markering die bestaat uit brede witte en donkere strepen. Deze oversteekplaats wordt meestal aangeduid door bord L2.

Naderen en voor laten gaan

Alle bestuurders -ook van trams- moeten een voetgangersoversteekplaats voorzichtig naderen en voetgangers en bestuurders van gehandicaptenvoertuigen, die hierop oversteken of kennelijk op het punt staan dit te doen, voor laten gaan. Vaak wordt u door het bord J22 gewaarschuwd, dat u een voetgangersoversteekplaats nadert.

Deze verplichting geldt niet voor bestuurders van een motorvoertuig dat behoort tot een militaire colonne of uitvaartstoet van motorvoertuigen en voorrangsvoertuigen. Als u van een daartoe bevoegd en als zodanig herkenbare verkeersbrigadier de aanwijzing krijgt om te stoppen, dan bent u verplicht deze aanwijzing op te volgen.

Als bij de voetgangersoversteekplaats ook voetgangerslichten in werking zijn, dan geldt de ‘zebra-bescherming’ niet, maar gelden de voetgangerslichten. Voetgangers en bestuurders van gehandicaptenvoertuigen moeten zich dan richten naar die verkeerslichten. Als in plaats van het rode licht een geel knipperlicht in de vorm van een waarschuwingsdriehoek brandt mogen zij op eigen risico oversteken.

voetgangersoversteekplaats

Zij moeten wel al het overige verkeer ter plaatse voor laten gaan, ook het afslaande verkeer. Het overige verkeer houdt met dit oversteken waarschijnlijk geen rekening, omdat het verkeerslicht voor hun op de rijbaan op groen staat. Voetgangers kunnen uiteraard altijd wachten op het groene voetgangerslicht -dat gehandhaafd blijft- zodat zij rustig en veilig kunnen oversteken.

Inhalen verboden

Het is verboden een voertuig vlak voor of op een voetgangersoversteekplaats links of rechts in te halen. Dit verbod geldt ook voor bestuurders van trams. De overstekende weggebruikers moeten er zeker van kunnen zijn dat -als een bestuurder hen voor laat gaan- niet een andere bestuurder het gestopte of langzaam naderende voertuig inhaalt en hen zo toch in gevaar brengt

Lading

Lading

Lading vervoeren betekent dat u moet weten aan welke wettelijke bepalingen u zich moet houden en hoe u de lading veilig en doelmatig moet vervoeren.

Algemeen

Met betrekking tot de lading gelden de volgende algemene eisen:

  • de bestuurder mag bij het besturen niet door passagiers, lading of op andere wijze worden gehinderd. Ook mag de lading geen belemmering zijn voor het uitzicht naar voren en opzij en moet het zicht door de spiegels vrij blijven;
  • de lading of delen daarvan moeten zodanig zijn gezekerd (vastgezet) dat deze onder normale verkeerssituaties niet van of uit het voertuig kunnen vallen. Losse lading zoals zand, grind of puin moet deugdelijk zijn afgedekt, bijvoorbeeld met een zeil of een net;
  • personenauto’s mogen niet zodanig zijn beladen dat de (in het kentekenbewijs vermelde) toegestane maximum-aslast, de maximumlast onder de koppeling, of de toegestane maximummassa wordt overschreden;
  • op onverharde wegen mogen ook personenauto’s en daardoor voortbewogen aanhangwagens (eventueel incl. lading) niet breder zijn dan 2,20 m;
  • de lading mag niet vóór het voertuig uitsteken. Bij aanhangwagens geldt het kopschot als voorzijde;
  • de lading mag niet meer dan 1 m achter het voertuig uitsteken;
  • de lading mag niet meer dan 5 m achter de achterste as van het voertuig uitsteken; – de lading mag niet aan de zijkant uitsteken;
  • door de lading mag het zicht op de verlichting, de retroreflectoren, de richtingaanwijzers of de kentekenplaat van het voertuig niet worden belemmerd, tenzij er een extra voorziening is aangebracht.

In de lengte ondeelbare lading

Lading die in de lengte ondeelbaar is, zoals lichtmasten, balken en ladders, moet voldoen aan enkele specifieke eisen.

De lange lading mag:

  • aan de achterzijde van personenauto’s niet meer dan 1 m achter het voertuig uitsteken;
  • aan de voorzijde van personenauto’s, niet meer dan 1 m voor het voertuig uitsteken;
  • aan de achterzijde van aanhangwagens niet meer dan 0,5 maal de lengte van het voertuig uitsteken, met een maximum van 5 m;
  • niet voor aanhangwagens (de koppeling) uitsteken.

In de breedte ondeelbare lading vervoeren

Lading die in de breedte ondeelbaar is mag niet breder zijn dan voor het vervoer noodzakelijk is. De lading van personenauto’s mag niet meer dan 20 cm buiten elke zijkant van het voertuig uitsteken tot een maximumbreedte van 2,55 m. Voor aanhangwagens geldt dat de breedte van het voertuig incl. de lading niet breder mag zijn dan voor het vervoer noodzakelijk is, met een maximum van 3 m.

Markering van de lading

Lading vervoeren die méér dan 1 m voor of achter het voertuig uitsteekt moet voorzien zijn van markeringsborden. Daar er voor personenauto’s geldt dat de lading niet meer dan 1 m mag uitsteken is daarvoor deze regel niet van toepassing.

lading vervoeren aanhangwagen

De regel geldt echter wel als er met een personenauto een aanhangwagen wordt voortbewogen, waarbij de lading aan de achterzijde van de aanhangwagen wel meer dan 1 m uitsteekt.

Lange lading die meer dan 1 m achter het voertuig uitsteekt, moet gemarkeerd zijn met een markeringsbord.

Tijdens het vervoer van in de breedte ondeelbare lading die meer dan 10 cm buiten elke zijkant van het voertuig uitsteekt, moet de voor- en achterzijde van deze lading aan weerszijden gemarkeerd zijn met een markeringsbord. Deze markering moet zo zijn aangebracht dat zij zoveel mogelijk de grootste breedte van de lading aangeeft. Deze regel geldt niet voor personenauto’s, maar wel voor een daardoor voortbewogen aanhangwagen.

Als de verplichte verlichting gevoerd moet worden, moet aan de achterzijde van de in de lengte uitstekende lading een rood licht zijn aangebracht. Bij lading die in de breedte uitsteekt moet dan aan weerszijden van de voorzijde een wit licht en aan weerszijden van de achterzijde een rood licht zijn aangebracht.

Scherpe delen van de lading

De lading van voertuigen mag geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren. Dat geldt niet als deze lading of delen daarvan zich meer dan 2 m boven het wegdek bevinden.

Goederen, bijvoorbeeld fietsen, mogen aan de achterzijde van een auto alleen vervoerd worden met een deugdelijke lastdrager.

Lastdrager

Bij deze lading vervoeren gelden de volgende eisen:

  • de lastdrager en de goederen moeten deugdelijk zijn bevestigd;
  • de lastdrager (met goederen) mag maximaal 20 cm buiten elke zijkant van het voertuig uitsteken;
  • de lastdrager mag uitsluitend worden gebruikt voor die goederen en die hoeveelheid waarvoor de lastdrager is gemaakt;
  • als de lastdrager of de daarop meegevoerde goederen de verlichting, richtingaanwijzers, remlichten en kentekenplaat afschermen, dan moet ook de lastdrager aan de achterzijde deze voorzieningen hebben;
  • als de lastdrager is bevestigd op een trekhaak, mag de maximum kogeldruk die door de fabrikant is vastgesteld niet worden overschreden. Als hierover geen gegevens bekend zijn, dan mag de kogeldruk maximaal 75 kg bedragen.

Ook het vervoer op het dak, bijvoorbeeld van ski- en bagageboxen, dient met een deugdelijke lastdrager te geschieden. Daarbij moet worden voldaan aan de volgende eisen:

  • de lastdrager en de goederen moeten deugdelijk zijn bevestigd;
  • de lastdrager mag uitsluitend worden gebruikt voor die goederen en die hoeveelheid waarvoor de lastdrager is gemaakt;
  • de maximum daklast die door de fabrikant van het voertuig is vastgesteld mag niet worden overschreden.

Autowegen

Autowegen

Aan het begin van autowegen is bord G3 geplaatst. De doorgaande rijbaan van een autoweg is door bord B1 aangewezen als voorrangsweg.

Aan het einde van een autoweg is bord G4 geplaatst. De meeste autowegen worden aangeduid als N-wegen.

Het gebruik van de autoweg is slechts toegestaan voor bestuurders van motorvoertuigen waarmee met een snelheid van tenminste 50 km per uur mag en kan worden gereden.

Een autoweg heeft meestal gelijkvloerse kruispunten en vaak geen gescheiden rijbanen. Houd daarom ook rekening met tegenliggers als u op deze enkelbaans wegen wilt inhalen en let op het dwarsverkeer. Langs een autoweg zijn dikwijls vluchthavens aangebracht en brede autowegen hebben soms een vluchtstrook.

Invoegen

Een autoweg heeft doorgaans een korte (doodlopende) invoegstrook en meestal ontbreekt een vluchtstrook. Nader dan ook met aangepaste snelheid het begin van de invoegstrook en kijk naar de naderende bestuurders. Is invoegen niet mogelijk bijvoorbeeld tijdens grote verkeersdrukte, stop dan aan het begin van de korte invoegstrook en wacht daar op een veilige invoeggelegenheid. Invoegen is een bijzondere manoeuvre. U moet het overige verkeer voor laten gaan.

Autowegen zijn veelal voorrangswegen. Daarom zult u bij gelijkvloerse kruispunten bord B6 aantreffen.

Op enkelbaans autowegen moet u ook goed opletten op tegemoetkomende inhalende bestuurders die op uw weghelft rijden. Ze zijn hun inhaalmanoeuvre waarschijnlijk al begonnen op een moment dat u de invoegstrook naderde of aan het begin er op stilstond.

Naderen er van nabij geen bestuurders op de doorgaande rijbaan, gebruik dan voldoende lengte van de korte invoegstrook om uw snelheid zoveel mogelijk aan te passen. Kijk ook regelmatig in de binnenspiegel en linker buitenspiegel om de afstand, soort motorvoertuig en hun naderingssnelheid vast te kunnen stellen. Niet achterom kijken, u kunt dan de controle over de besturing en het zicht op eventuele voertuigen voor u verliezen. Wees ook bedacht op haastige bestuurders die achter u al eerder met invoegen zijn begonnen en plotseling vanuit uw ‘dode hoek‘ te voorschijn komen.

Autospiegels

Kijk voordat u invoegt nog eens in de binnenspiegel en linker buitenspiegel en links opzij (dode hoek). Kunt u veilig invoegen, dan moet u vlak voor dat u invoegt links richting aangeven. Ga dan in een vloeiende beweging over op de doorgaande rijbaan. Meteen na het invoegen zet u de richtingaanwijzer af en moet u nog eens controleren of uw snelheid wel voldoende is aangepast. Het in één beweging doorgaan vanaf de invoegstrook naar een andere rijstrook dan de meest rechtse, is niet aan te bevelen i.v.m. de (grote) dode hoek.

Autospiegels dode hoek

Wanneer u een invoegmogelijkheid verkeerd heeft beoordeeld en u kunt aan het einde van de korte invoegstrook niet veilig invoegen, dan moet u stoppen en daar wachten op een zeer ruime invoegmogelijkheid. Benut daarna het eventuele resterende gedeelte van de korte invoegstrook om snelheid te maken en blijf op de doorgaande rijbaan uw snelheid verhogen tot u een aangepaste snelheid hebt.

Als u vanaf een parkeergelegenheid of vluchthaven wilt invoegen op de doorgaande rijbaan, dan moet u hetzelfde handelen als op een korte invoegstrook.

Plaats op de weg

Op autowegen moet u ook, zoals op andere wegen, rechts rijden. Is de doorgaande rijbaan verdeeld in meerdere rijstroken in een richting dan moet u ook zoveel mogelijk op de meest rechts gelegen rijstrook rijden. Alleen tijdens verkeersdrukte, als in files naast elkaar rijden ter plaatse aanvaardbaar is, tijdens het inhalen en het naar links voorsorteren, mag u de linker rijstrook gebruiken. De vlucht haven of vluchtstrook mag u uitsluitend gebruiken in geval van noodzaak.

Snelheid autowegen

Op autowegen is voor u geen minimumsnelheid van kracht, maar u mag niet onnodig langzamer rijden dan het overige verkeer ter plaatse, zodat u hen daarmee hindert of de veiligheid in gevaar brengt.

U moet dus uw snelheid zoveel mogelijk aan het andere verkeer aanpassen, natuurlijk met inacht neming van de maximumsnelheid ter plaatse.

Op autowegen -buiten de bebouwde kom- gelden de volgende maximumsnelheden: – voor motorvoertuigen geldt een maximumsnelheid van 100 km per uur;

  • voor motorvoertuigen met aanhangwagen, kampeerwagens die volgens het kentekenbewijs behoren tot de categorie bedrijfsauto’s en waarvan de toegestane maximummassa meer bedraagt dan 3500 kg, vrachtauto’s en autobussen, niet zijnde T100-bussen, 80 km per uur;
  • voor T100-bussen, 100 km per uur;
  • voor personenauto’s, bestelauto’s, motorfietsen, driewielige motorvoertuigen en T100-bussen, die een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3500 kg voortbewegen, 90 km per uur.

Deze maximumsnelheid blijft voor deze groep weggebruikers ook van kracht als verkeerstekens een hogere maximumsnelheid aangeven dan hun vastgestelde maximumsnelheid.

Met verkeersborden of elektronische signaleringsborden kan een lagere maximumsnelheid worden aangegeven. Op autowegen kan ook met borden een adviessnelheid worden aangegeven.

Vluchthaven

Vluchthaven Autowegen

Autowegen zijn meestal voorzien van vluchthavens. Deze havens worden meestal aangegeven door het blauwe vluchthavenbordje. U mag uitsluitend in geval van noodzaak gebruik maken van deze havens, bijvoorbeeld technische storing, hulpverlening en/of getuige bij een ongeval, bijzonder slechte weersomstandigheden, ziekte of onwel worden van inzittenden, sanitaire stop voor ouderen en kinderen, noodzakelijke controle van de lading en een tekort aan brandstof.

Omdat vluchthavens niet zo lang zijn moet u voor het gebruik hiervan reeds op de rijbaan uw snelheid minderen om zodoende met veilige snelheid de vluchthaven te kunnen oprijden. Laat dit tijdig zien aan de achteropkomende bestuurders door rechts richting aan te geven (eventueel ook met remsignalen). Plaats uw voertuig uiterst rechts op de vluchthaven en blijf zelf ook zoveel mogelijk rechts naast de auto.

Op de vluchthaven moet u bij motorvoertuigen op meer dan twee wielen en aanhangwagens de gevarendriehoek plaatsen als het voertuig een obstakel vormt dat door naderende bestuurders niet tijdig kan worden opgemerkt. De gevarendriehoek moet goed zichtbaar rechts op de weg worden geplaatst op een afstand van ongeveer 30 m van het stilstaande voertuig in de richting van het verkeer waarvoor het voertuig gevaar op kan leveren. De verplichting tot het plaatsen van een gevarendriehoek vervalt als de waarschuwingsknipperlichten worden gebruikt. Maar vindt u onder gegeven omstandigheden het veiliger om de gevarendriehoek ook te plaatsen, dan mag u dat doen.

Vluchtstrook

Als u weer aan het rijdende verkeer wilt deelnemen moet u goed opletten. U kunt niet zoals op een vluchtstrook snelheid maken. U zal dus moeten wachten totdat de rijbaan voldoende vrij is. Op enkelbaans autowegen moet u ook goed opletten op tegemoetkomende inhalende bestuurders die op uw weghelft rijden. Ze zijn hun inhaalmanoeuvre waarschijnlijk al begonnen op een moment dat u nog stil stond op de vluchthaven. Kunt u veilig invoegen, dan moet u vlak voor dat u invoegt links richting aangeven. Ga dan in een vloeiende beweging over op de doorgaande rijbaan. Meteen na het invoegen zet u de richtingaanwijzer af en moet u nog eens controleren of uw snelheid wel voldoende is aangepast.

Parkeerplaatsen

Parkeerplaatsen langs autowegen worden met bord E4 aangeduid. Omdat deze parkeerplaatsen meestal niet zijn voorzien van invoeg- en uitrijstroken moet u dezelfde handelingen verrichten als bij vluchthavens.

Uitrijstrook rechts

Wilt u rechtsaf de doorgaande rijbaan van een autoweg verlaten dan moet u gebruik maken van de rechter uitrijstrook. Zorg dat u tijdig rechts rijdt. Elke afrit wordt met bewegwijzeringsborden aangegeven. Het eerste bord geeft aan dat over 900 m een (gelijkvloers)kruispunt volgt en geeft ook enige plaatsnamen in de rechtdoorgaande richting aan.

Het eerste bewegwijzerings bord staat op 900 m afstand van de afrit.

Het tweede bord staat op 600 m afstand van de afrit en geeft een plaatsnaam in de linksaf richting aan.

Het derde bord staat op 300 m afstand van de afrit en geeft een plaatsnaam in de rechtsaf richting aan. Dat is ongeveer de plaats waar u met behulp van de spiegels nog eens extra let op achteropkomende bestuurders en rechts richting aangeeft.

Minder geen snelheid op de doorgaande rijbaan als dat niet nodig is. Bij het vierde en tevens laatste bord rijdt u het begin van de (korte) uitrijstrook op.

Pas op de uitrijstrook mindert u snelheid door gas terug te nemen en/of af te remmen. Op autowegen moet u bedacht zijn op korte uitrijstroken en dat aan het einde hiervan een scherpe bocht naar rechts volgt. Na het uitrijden zet u de richtingaanwijzer af.

Uitrijstrook links

Wilt u linksaf de doorgaande rijbaan van een autoweg verlaten, dan moet u gebruik maken van de linker uitrijstrook. Als de doorgaande rijbaan verdeeld is in meerdere rijstroken in één richting dan moet u tijdig op de linker rijstrook gaan rijden. Let van tevoren goed op achteropkomende bestuurders. Is de uitrijstrook kort en/of willen meerdere bestuurders links afslaan, dan bent u soms genoodzaakt reeds op de doorgaande rijbaan snelheid te minderen. Geef daarom eerst remsignalen voordat u definitief afremt.

Op gelijkvloerse kruispunten moet u voor links afslaan misschien stoppen om het rechtdoorgaande verkeer op dezelfde weg voor te laten gaan

Motor Rijexamen

Motor RIJEXAMEN

Het motor praktijkexamen verkeersdeelneming duurt 55 minuten. Zorg dat je ruim op tijd aanwezig bent (ongeveer 15 minuten). Dat geeft rust, zo vlak voor je examen. Ga zitten tot je examinator je roept. Het examen verloopt zo:

Je maakt eerst kennis met de examinator. Die legt uit hoe je examen verloopt.

motor praktijkexamen

 

Je examinator controleert je identiteitsbewijs. Ook kijkt hij of je bent geslaagd voor het motortheorie-examen in het afgelopen anderhalf jaar of dat je een geldig rijbewijs voor de lichte motor of motor-automaat bij je hebt.

Vervolgens doe je op het parkeerterrein een ogentest. Daarbij moet je het kenteken van een stilstaande auto kunnen lezen op een afstand van ongeveer 25 meter.

Daarna stelt je examinator enkele vragen, ter voorbereiding van de rit. Bijvoorbeeld over het checken van de banden of de remmen. Indien je je goed voorbereid hebt met de theorieopleiding dan zal je dit geen problemen geven

Hierna begint de rit van zo’n 35 minuten. De examinator rijdt in zijn eigen auto achter je aan. 
Naast de examinator zit je rijinstructeur. Die geeft je onderweg de aanwijzingen en opdrachten via het ontvangertje in je helm.

De examinator toetst of je veilig en zelfstandig kunt rijden. En of je voldoende rekening houdt met andere weggebruikers. De examinator let onder andere op:

  • kijkgedrag
  • je plaats op de weg
  • of je de verkeersregels goed toepast
  • of je ook in het verkeer de motor beheerst

Je krijgt tijdens het examen alle gelegenheid om te laten zien wat je kunt. Helemaal foutloos hoeft niet, het gaat om het totaalbeeld. Belangrijk is hoe je reageert op het overige verkeer en of je de situatie meester bent. Kortom, de examinator bekijkt of je voldoende in huis hebt om veilig en zelfstandig aan het verkeer deel te nemen.

Direct na afloop van de rit krijg je in het CBR-examencentrum te horen of je geslaagd bent.

Maximum snelheid

Maximum SNELHEID

De Maximum Snelheid in het verkeer is een belangrijke factor

Snelheid is misschien wel de belangrijkste factor in het verkeer. En juist die factor hebt u zelf in de hand. Als bestuurder bepaalt u hoe hard er gereden wordt. Uiteraard is de snelheid waar de andere bestuurders mee rijden ook van invloed. Misschien moeten we wel zeggen dat de snelheid ongevalsoorzaak nummer 1 is. In diverse situaties wordt er te snel gereden en wordt ook de naderingssnelheid van anderen onderschat. Een goed voorbeeld daarvan is een botsing op een kruispunt tussen een motorfiets en een auto. Dit is de grootste oorzaak van motorongevallen. Natuurlijk hangt dit in grote mate samen met het verkeersinzicht en het rijgedrag van de betrokkenen. Een agressief rijgedrag leidt veelal tot problemen, terwijl een defensief rijgedrag veel veiliger is. De snelheid is veelal lager en u hebt meer tijd om te reageren als anderen een fout maken of zich asociaal gedragen.

Het regelen van de snelheid

bord 120 km/uur

Bestuurders moeten in staat zijn hun voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover zij de weg kunnen overzien en waarover deze vrij is. Waarover u de weg kunt overzien betekent: dat de snelheid moet zijn aangepast aan onoverzichtelijke bochten, hellingen, bomen en andere begroeiingen en geparkeerde voertuigen. Waarover de weg vrij is betekent: de afstand tussen u en de dichtstbijzijnde voorligger. Dat betekent dat met welke snelheid u ook rijdt, u binnen een veilige afstand moet kunnen stoppen.

 

Bij het veilig tot stilstand brengen van een voertuig zijn drie factoren van belang. Dat zijn de snelheid, de weg afgelegd tijdens de reactietijd en de remvertraging. De remweg en de reactieweg vormen samen de stopafstand.

Remweg

De remweg is de afstand die u nodig heeft om tot stilstand te komen, gemeten vanaf het eerste moment dat u bent begonnen te remmen. De remweg hangt af van twee factoren: uw snelheid en de gemiddelde remvertraging die u haalt. Met vertraging bedoelen we het aantal km per uur dat uw snelheid elke seconde minder wordt. Rijdt u aan het begin van een remmanoeuvre bijvoorbeeld 100 km per uur en rijdt u een seconde later nog maar 90 km per uur dan is uw vertraging 10 km per uur per seconde.

Als u het leuk vindt kunt u de hierna volgende rekenvoorbeelden volgen.

De sommen zijn echter géén examenstof. Voor de berekeningen wordt de snelheid uitgedrukt in m/s.

Eén kilometer is 1.000 meter. Eén uur is 60 minuten. Eén minuut is 60 seconden. Eén uur is dus (60 x 60 is) 3.600 seconden. Eén km per uur is dus 1.000 m per 3.600 seconden. Eén km per uur is dus 1:3,6 m/s. Om van km per uur (km per uur) naar m/s te komen moet u de snelheid delen door 3,6. Voorbeelden: 18 km per uur is 5 m/s, 36 km per uur is 10 m/s, 72 km per uur is 20 m/s, 108 km per uur is 30 m/s.

Een remvertraging van 36 km per uur per seconde kunt u dus ook schrijven als (36 : 3,6 is) 10 m/s per seconde. We schrijven dat op als m/s2. Hier staat niets anders dan ‘meters per seconde per seconde‘.

Nu kunt u de remweg uitrekenen: u moet onthouden: remweg = V2 : (2 x a).

Hier staat niets anders dan dat uw remweg het kwadraat van uw snelheid is, gedeeld door twee maal uw remvertraging.

‘Kwadraat‘ betekent: iets maal zichzelf. Twee kwadraat betekent: 2 x 2.

We geven meteen een voorbeeld. U rijdt 36 km per uur op een schoon en droog wegdek en moet gaan remmen. U haalt daarbij een remvertraging van 10 m/s2. Vraag: wat is uw remweg? Daartoe rekent u de snelheid eerst om van km per uur naar m/s: 36 km per uur is (36 / 3,6 is) 10 m/s.

Nu kunt u de remweg berekenen:

Remweg = 10 x 10 : 2 x 10 = 5 m.

Nog een voorbeeld. U rijdt 108 km per uur en uw remvertraging op een nat en niet zo schoon wegdek is maar 4,5 m/s2.

Snelheid = 108 km per uur : 3,6 = 30 m/s Remweg = 30 x 30 : 2 x 4,5 = 900 : 9 = 100 m.

Wat u zich moet realiseren is dat uw remweg toeneemt met het kwadraat van uw snelheid: als u twee maal zo hard gaat rijden wordt uw remweg (2 x 2 is) vier maal zo lang. Gaat u in plaats van 30 km per uur een snelheid rijden van 90 km per uur (dat is drie maal zo hard) dan wordt uw remweg (3 x 3 is) negen maal zo lang.

Reactieweg

Om te zien of u een obstakel door te remmen al dan niet gaat raken, bent u er nog niet. Op het moment dat u een obstakel ziet, begint u niet meteen te remmen. Eerst schrikt u, dan bedenkt u of u iets moet doen en zo ja, wat. Dan begint u pas te remmen. In die schrik- en bedenktijd (ook wel reactietijd genoemd) rijdt u wel door met uw beginsnelheid. Laten we eens aannemen dat u een reactietijd van één seconde nodig heeft om te bedenken dat u moet gaan remmen en dat uw beginsnelheid 108 km per uur is. In die seconde legt u dan 108 : 3,6 is 30 m af. Uw reactieweg is dus 30 m.

Stopafstand

Om het effect van de reactietijd mee te nemen in de afstand die u nodig heeft om tot stilstand te komen, hanteren we dus het begrip ‘stopafstand’. De stopafstand is de reactieweg + remweg.

We nemen het tweede voorbeeld van de remweg hiervoor en bepalen de stopafstand. Snelheid 108 km per uur; reactietijd 1 seconde; remvertraging 4,5 m/s2. Uw stopafstand is dan (reactieweg + remweg) 30 m + 100 m = 130 m.

Remweg autoweg

Voor een veilige stopafstand is het afstandhouden van belang. Goede hulpmiddelen zijn daarbij de 2-secondenregel en de methode van de helft van de gereden snelheid + 10%. Bijvoorbeeld bij 80 km per uur 44 m (40 + 4).

Wisselende omstandigheden

Om de snelheid veilig te kunnen regelen moet u ook rekening houden met:

  • de soort weg, zoals een erf, woonstraat, winkelstraat, landweg, autoweg of autosnelweg;
  • de conditie van het wegdek, denk aan zand, grind, losliggende stenen, gaten, sporen, wildroosters, bladeren, klinkers, kasseien, beton, ZOAB asfalt, drempels,

spoorvorming of andere oneffenheden;

  • de weersomstandigheden, bijvoorbeeld regen, wind, hagel en vorst;
  • plaatsen, zoals lange bruggen en dammen, waar door bord J31 gewaarschuwd wordt voor zijwind;
  • het zicht, denk aan sneeuwval, rookontwikkeling en mist;
  • de dichtheid van het verkeer, zoals de afstand die bestuurders onderling aanhouden, verkeersdrukte, fietsers, snorfietsers, bromfietsers en de aanwezigheid van voetgangers en kinderen;
  • de toestand van uw voertuig, bijvoorbeeld banden, remmen, vering en schokdemping;
  • de lading in of op uw voertuig, met name de hoogte, lengte en breedte en stabiliteit; – het slepen van een (defect) voertuig.

In sommige gevallen en bij weeromstandigheden die het zicht of de remweg kunnen beïnvloeden is het dus verstandig om wat meer afstand te houden dan 2 seconden.

U moet in staat zijn uw snelheid te minderen of te stoppen wanneer dat nodig is, vooral bij mist of andere weersomstandigheden die het zicht belemmeren. Als u uw snelheid gaat minderen of gaat stoppen, moet u dit tijdig en duidelijk kenbaar maken met de remlichten. In gevaarlijke situaties, bijvoorbeeld bij files, mag u daarbij ook de waarschuwingsknipperlichten gebruiken. U mag niet onnodig langzamer rijden dan het overige verkeer ter plaatse wanneer u het daarmee hindert of de veiligheid in gevaar brengt.

Wielspin

Bij wielspin blijven de aangedreven wielen doordraaien zonder dat de auto overeenkomstig vooruitrijdt. Dat komt doordat de omtrek van de band meer afstand aflegt dan dat de auto zich daadwerkelijk verplaatst.

Factoren die invloed hebben op wielspin:

– het wrijvingscoëfficiënt tussen band en wegdek; – het vermogen (koppel) naar de wielen.

U kunt wielspin voorkomen of de kans daarop verminderen door:

  • een juiste bandenspanning;
  • een goede en de juiste soort banden;
  • een goede belading;
  • een juiste dosering van het gas.

Aquaplaning

Nederland is een echt regenland waardoor het wegdek vaak nat is en blijft. Het gebruik van ZOAB (Zeer Open Asfalt Beton) heeft het voordeel dat regenwater snel wordt afgevoerd. Ook goede banden met een juiste profieldiepte kunnen het water redelijk snel afvoeren, ook bij hogere snelheden.

Om de kans op ongevallen zo klein mogelijk te houden, is het van groot belang dat water op het wegdek zo snel mogelijk wordt afgevoerd. Want bij rijden op een nat wegdek wordt het zicht beperkt door opspattend water. Ook zijn de strepen op het wegdek slechter zichtbaar door het water en het spiegelende wegdek.

Bij aquaplaning gaat het contact met het wegdek verloren als gevolg van de aanwezigheid van een waterfilm tussen de band en het wegdek. Aquaplaning kan leiden tot volledig controleverlies over de auto. Sturen, remmen en gas geven hebben geen enkel effect meer. De auto volgt zijn eigen koers. Pas als de band weer contact heeft met het wegdek kan de bestuurder de auto weer onder controle krijgen.

Regen en het opspattende water van uw voorliggers kunnen er voor zorgen dat u weinig zicht hebt. Ook hier kan vrij snel aquaplaning optreden. Pas uw snelheid daarop aan.

Rijden door plassen is bijzonder gevaarlijk omdat dat aquaplaning kan veroorzaken. Het staat vast dat regenval en water op het wegdek samengaan met een verhoging van het aantal ongevallen. Kennelijk houdt de weggebruiker onvoldoende rekening met deze omstandigheden.

Markeringen op de weg blijven beter zichtbaar naarmate zij een grotere dikte hebben.

Een dikke markering steekt namelijk eerder door de waterfilm op het wegdek heen. Maar achter ‘dikke’ markeringen kan water blijven staan, waardoor het gevaar van aquaplaning kan ontstaan. Er moeten voorzieningen worden getroffen voor de afwatering. Dat kan door op regelmatige afstanden (bijvoorbeeld 1 m) de markering over ongeveer 3 à 5 cm te onderbreken.

De volgende factoren zijn van invloed op aquaplaning:

  • de aard, gesteldheid en ruwheid van het wegdek;
  • de dikte van de waterfilm op het wegdek;
  • eigenschappen en profieldiepte van de band (minimaal 1,6 mm);
  • de bewegingen van de band ten opzichte van het wegdek;
  • de rijsnelheid;

Het beste kunt u aquaplaning voorkomen door in die gevallen tijdig uw snelheid aan te passen en de auto te voorzien van goede banden. Overkomt u het toch? Laat dan het gas los, trap de koppeling in, blijf rechtuit sturen en rem niet. Zo is de kans het grootst dat uw auto weer snel contact maakt met het wegdek en u de auto weer onder controle hebt.

Spoorvorming

Spoorvorming ontstaat doordat vooral zware voertuigen op dezelfde rijstrook rijden. Vrachtauto’s rijden doorgaans rechts en zijn zwaar. Als de temperatuur buiten hoog is, smelt het asfalt min of meer en wordt het door die zware vrachtauto’s opzij geduwd met als gevolg spoorvorming.

Spoorvorming op de weg kan bij regenval leiden tot plassen waarin al gauw een waterhoogte van één of meer millimeters ontstaat. Daardoor verhoogt spoorvorming de kans op contactverlies van de band met de weg met als mogelijk gevolg aquaplaning.

Er worden wel groeven dwars over de weg gefreesd van 4 á 5 mm breed en diep, waardoor het regenwater naar de berm afgevoerd kan worden. Ook worden dergelijke gootjes wel eens in de lengte-richting van de weg aangebracht om het wegdek ruwer te maken. Deze langsgroeven hebben echter het nadeel dat motorrijders er hinder van ondervinden.

Snelheidsvermindering is de beste aanpassing bij een nat wegdek. Remmen vergroot echter de kans op contactverlies met de weg, zodat een snelheidsvermindering voorzichtig moet worden uitgevoerd.

Ook de eigenschappen van een band hebben invloed op het contact met het wegdek. Het bandenprofiel is vooral van belang voor een goede afwatering. Veel diepe en goed gespreide profielgroeven zijn nodig voor een goede afwatering. De afwateringscapaciteit van een band verslechtert echter sterk als de profieldiepte minder is dan 2 mm.

Na een langdurige periode van droogte en mooi weer ontstaat bij beginnende regen een dunne en gladde laag op het wegdek waardoor (vooral bij hoge snelheden) gemakkelijk het contact met de weg verloren kan gaan.

Sporen in het wegdek zijn gevaarlijk omdat het ‘in rechte lijn‘ rijden ernstig wordt beïnvloed. Als tijdens nat weer in deze sporen water staat, treedt er -bij een bepaalde snelheid- aquaplaning op. Dat is een gevaarlijk verschijnsel. De banden hebben, zoals bij ijzel, dan geen contact meer met het wegdek. Tussen de band en het wegdek bevindt zich dan een dunne ‘harde‘ waterlaag.

Maximumsnelheid binnen de bebouwde kom

Het begin van de bebouwde kom wordt door bord H1 met de plaatsnaam aangegeven. Onder de plaatsnaam kan de gemeentenaam zijn vermeld. Voor motorvoertuigen geldt binnen de bebouwde kom een maximumsnelheid van 50 km per uur. Voor landbouw- en bosbouwtrekkers en motorvoertuigen met beperkte snelheid 25 km per uur. Voor bromfietsen en gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een motor, 30 km per uur op een fiets-/bromfietspad en 45 km per uur op de rijbaan, voor snorfietsen 25 km per uur en voor brommobielen 45 km per uur. Gehandicaptenvoertuigen die gebruik maken van het trottoir of voetpad mogen maximaal 6 km per uur rijden, zij moeten zich aanpassen aan de voetgangers.

De wegbeheerder heeft de mogelijkheid om binnen de bebouwde kom een afwijkende (hoger of lager) maximumsnelheid vast te stellen. Dat wordt kenbaar gemaakt door middel van verkeersborden of elektronische signaleringsborden:

  • door bord A1 aangeduide wegen of zones kan een maximumsnelheid van 30 km per uur, of 70 km per uur worden aangegeven;
  • op de door bord G5 aangeduide erven mogen bestuurders niet sneller rijden dan 15 km per uur.

U mag in de gehele zone binnen de bebouwde kom niet sneller rijden dan 30 km per uur.

Maximumsnelheid buiten de bebouwde kom

Het einde van de bebouwde kom wordt door bord H2 aangegeven. Voor motorvoertuigen gelden buiten de bebouwde kom de volgende maximumsnelheden:

  • op autosnelwegen: 130 km per uur;
  • op autowegen: 100 km per uur;
  • op andere wegen: 80 km per uur;
  • voor motorvoertuigen met aanhangwagen, vrachtauto‘s, autobussen en kampeer-auto’s van de categorie bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3500 kg geldt op alle wegen buiten de bebouwde kom een maximumsnelheid van 80 km per uur. Deze maximumsnelheid blijft voor deze groep weggebruikers ook van kracht als verkeerstekens een hogere maximumsnelheid aangeven dan hun vastgestelde maximumsnelheid;
  • een T100-bus mag op een autoweg en autosnelweg 100 km per uur;
  • voor personenauto’s, bestelauto’s, motorfietsen, driewielige motorvoertuigen en T100-bussen, die een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3500 kg voortbewegen, op auto(snelwegen) 90 km per uur.

Voor landbouw- en bosbouwtrekkers en motorvoertuigen met beperkte snelheid geldt een maximumsnelheid van 25 km per uur. Voor bromfietsen en gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een motor is dat 40 km per uur op een fiets-/bromfietspad en 45 km per uur op de rijbaan. Voor snorfietsen geldt 25 km per uur en voor brommobielen 45 km per uur. Gehandicaptenvoertuigen die gebruik maken van het trottoir of voetpad mogen maximaal 6 km per uur rijden, zij moeten zich aanpassen aan de voetgangers.

Ook buiten de bebouwde kom heeft de wegbeheerder de mogelijkheid met verkeersborden of elektronische signaleringsborden een afwijkende maximumsnelheid vast te stellen. Een lagere maximumsnelheid betekent dat u meestal meer ingewikkelde en/of gevaarlijke situaties kunt verwachten zoals: wegreconstructies, onoverzichtelijke bochten en hellingen, gevaarlijke kruispunten en rotondes.

Let op, als binnen of buiten de bebouwde kom bord A2 (einde maximumsnelheid), of bord F8 (einde van alle door verkeersborden aangegeven verboden) of bord F9 (einde van alle op een elektronisch signaleringsbord aangegeven verboden) is geplaatst, dan geldt ter plaatse weer de normale maximumsnelheid. Dat geldt ook als na een verharde zijweg of na een verhard kruispunt de afwijkende maximumsnelheid niet wordt herhaald

De maximumsnelheden, zowel binnen als buiten de bebouwde kom, gelden slechts als er niet op grond van andere regels een lagere maximumsnelheid van kracht is. Als er op zowel de rijstrooklichten als de F9 verkeersborden een maximumsnelheid wordt aangegeven, geldt de laagste aangegeven maximumsnelheid.

60 km per uur zone

In het kader van ‘duurzaam veilig‘ brengt de wegbeheerder op plaatsen direct buiten de bebouwde kom, daar waar dit noodzakelijk is, 60 km per uur zones aan.

Overtreding maximumsnelheid

Bestuurders die de toegestane maximumsnelheid met meer dan 50 km per uur overschrijden, lopen het risico dat zij ook hun rijbewijs en/of auto meteen bij de politie moeten inleveren.

Herkenbaarheid van wegtypen

Buiten de bebouwde kom gelden verschillende maximumsnelheden. Op autosnelwegen is de maximumsnelheid 130 km per uur, maar op sommige gedeelten 100 of 120 km per uur. Op autowegen mag u maximaal 100 km per uur. Op overige wegen is de maximumsnelheid 80 km per uur, maar ook steeds vaker 60 km per uur. Deze onduidelijkheid is niet goed voor de verkeersveiligheid en daarom wordt hier iets aan gedaan. In de toekomst kunt u aan de belijning van een weg zien hoe snel u mag rijden.

Wegbeheerders hebben met elkaar afgesproken drie typen wegen bij de eerstvolgende grote onderhoudsbeurt een nieuwe inrichting te geven. Uit die inrichting kunt u de maximumsnelheid op die weg herkennen. U zult deze inrichting van wegen dus steeds meer tegenkomen. Let er wel op dat het nog jaren zal gaan duren voordat dit overal is aangepast. De maximumsnelheid zal daarom gewoon door borden worden aangegeven.

Stroomwegen

In plaats van een enkele asstreep vindt u hier een dubbele, met groen gevulde asstreep. Zoals u heeft kunnen lezen kunt u aan de middenstreep zien of u mag inhalen of niet. Is de asstreep aan uw kant onderbroken, dan mag u inhalen; is hij doorgetrokken, dan niet.

Dubbele asstreep met groene vulling: (autoweg) maximaal 100 km per uur.

Gebiedsontsluitingswegen

Ook hier vindt u een dubbele asstreep in plaats van een enkele. Deze is aangebracht om weggebruikers extra alert te maken op het gevaar van inhalen. U vindt op dit soort wegen ook wel eens een middenberm. Daarnaast heeft dit type weg onderbroken kantstrepen die aangeven dat er weggebruikers kunnen oversteken, de weg kunnen oprijden of vaart kunnen minderen om af te slaan. In landelijk gebied kunt u hier langzaam rijdend landbouwverkeer tegenkomen.

Erftoegangswegen

De asstreep verdwijnt op deze wegen omdat snelle en langzame verkeersdeelnemers hier samen gebruik moeten maken van dezelfde weg. Er liggen huizen aan en er komen uitritten op uit. Hierdoor kunnen grote snelheidsverschillen tussen weggebruikers voorkomen, bijvoorbeeld als u met uw auto langs fietsers of wandelaars rijdt of als een auto vóór u afremt om een uitrit in te rijden. Het weghalen van de asstreep zorgt ervoor dat iedereen voorzichtiger is en minder hard rijdt. Gedrag dat goed bij het karakter van de weg past!

Suggestiestrook

Bij erftoegangswegen met onderbroken strepen aan de kant ontstaat tussen de onderbroken streep en de berm wat men wel noemt een ‘suggestiestrook‘. Deze is meestal rond de 90 cm breed. De wegbeheerder brengt hier ook wel eens rood asfalt aan. De suggestiestrook heeft geen enkele wettelijke status en u mag hem dus gebruiken. U moet u natuurlijk wel aan de hoofdregels houden: voetgangers, fietsers en bromfietsers daar niet in gevaar brengen of hinderen!

Adviessnelheid

Met bord A4 wordt een adviessnelheid aangegeven. De wegbeheerder heeft ter plaatse een goede reden om een adviessnelheid in te stellen. Het is natuurlijk niet alleen verstandig maar ook veiliger om dit advies op te volgen. Maar toch moet u er rekening mee houden dat bestuurders die ter plaatse bekend zijn, hier sneller zullen rijden. Let u er wel op dat dit een advies is dat geldt bij normale (weers)omstandigheden. Rijdt u bijvoorbeeld met een extra zwaar beladen auto of wordt daarmee een aanhangwagen voortbewogen dan vraagt het advies extra aandacht.

Uitzonderingen voorrangsvoertuigen

Natuurlijk gelden de verschillende maximumsnelheden niet voor bestuurders van ambulances, motorvoertuigen van politie of brandweer en andere officieel aangewezen hulpverleningsdiensten als zij gebruikmaken van de voorgeschreven optische en geluidssignalen (blauw zwaai- flits- of knipperlicht en een twee- of drietonige hoorn).

 

Gevaarherkenning

Gevaarherkenning

Wat is gevaarherkenning

Gevaarherkenning is de kunst van het vergaren van alle details om uzelf te kunnen instellen op wat er kan gaan gebeuren. Een goede bestuurder zoekt oplossingen door van te voren een beeld te vormen van wat hij of zij denkt dat kán gaan gebeuren. De rij-instructeur zal u tijdens de rijlessen gevaarherkenning aanleren. Nadat u het rijbewijs heeft gehaald zult u, door ervaring, gevaarherkenning beter ontwikkelen.

Gevaarherkenning

Het vergaren van de details kunt u met alle zintuigen (zien, horen, ruiken, voelen en proeven). Iedereen heeft een gezichtsveld van ongeveer 180 tot 190 graden. Hierdoor kunt u recht vooruit scherp zien. Daarna wordt de scherpte van wat u ziet aan beide zijden steeds minder. Door uw hoofd van links naar rechts en van boven naar beneden te bewegen kunt u de scherpte van uw gezichtsveld steeds aanpassen

U kunt deze bewegingen ook met uw ogen maken. Door uw hoofd en ogen constant op de juiste plek te plaatsen en te bedenken wat er mogelijk kan gaan gebeuren, kunt u het gevaar vroegtijdig herkennen. Alleen dan is het mogelijk om op tijd te beslissen en hiernaar te handelen om ongelukken te voorkomen.

Met behulp van de vijf taakprocessen kunt u gevaarherkenning beter ontwikkelen.

Stel uzelf constant de volgende vragen en voer deze dan uit:

  1. neem waar:

    • wat zie ik?
    • wat hoor ik?
    • wat ruik ik?
    • wat voel ik?
    • wat proef ik?
  2. voorspel:

    • wat gaat die andere verkeersdeelnemer doen?   – welke keuzes heb ik zelf om dit op te lossen?
  3. evalueer:

    (stel de waarde van uw mogelijke keuze vast)

    • wat voor invloed heeft mijn keuze op de verkeersveiligheid?
    • wat voor invloed heeft mijn keuze op de mobiliteit/bereikbaarheid?
    • wat voor invloed heeft mijn keuze op de doorstroming?   – wat voor invloed heeft mijn keuze op het milieu?
  4. beslis:

    • ik neem een weloverwogen beslissing waar ik helemaal achter sta.
  5. handel:

    • ik voer mijn genomen beslissing uit.

Als bestuurder heeft u de verkeerstaak om de juiste gedragskeuze te maken. Natuurlijk kunt u de beste keuze maken als u vroegtijdig de mogelijke gevaren herkent en erkent. Er zijn vele mogelijkheden bij gevaarherkenning maar het CBR heeft de antwoordmogelijkheden beperkt tot het volgende:

  1. Dat wil zeggen flink snelheid verminderen of zelfs stoppen.
  2. Gas loslaten. Dat wil zeggen extra attentie en voorbereid zijn op een andere
  3. Dat wil zeggen gewoon door blijven rijden met dezelfde snelheid.

 

Hoe doet u dat?

  • Kijk minimaal 200 m vooruit. Fixeer uw blik niet, kijk (om de 5 tot 8 seconden) in uw binnen- en buitenspiegel(s).
  • Beweeg uw ogen en hoofd naar de weg die voor u ligt. Voorkom dat u gaat staren naar één punt. Kijk afwisselend ver weg en vervolgens vlak voor uw auto.
  • Zorg ervoor dat u altijd een uitwijkmogelijkheid heeft.
  • Vermijd ‘dode hoeken’ door uw achteruitkijkspiegel en buitenspiegel(s) zodanig af te stellen dat u het achterop komend verkeer tijdig en duidelijk kunt zien.
  • Heb voortdurend aandacht voor andere verkeersdeelnemers.
  • Zorg dat u niet alleen de wettelijke betekenis van de borden kent maar ook de verkeersinzichtelijke.

Gevaren

Gevaren kunnen worden veroorzaakt door:

  • uw gemoedstoestand, uw kennis van de regels, uw rij-ervaring, het niet uitgerust deelnemen aan het verkeer en het gebruik van alcohol;
  • de weg en de omgeving, zoals de soort en de toestand van het wegdek, complexe omgevingen en risicovolle gebieden zoals scholen en winkelcentra;
  • het tijdstip waarop u gaat rijden, maandagochtend ten opzichte van zondagmorgen;
  • het weer, zoals sneeuw, regen of mist;
  • de seizoenen, bij een laagstaande zon en bladeren op het wegdek;
  • andere weggebruikers, door hun gemoedstoestand, hun regelkennis en hun rij- ervaring.

Verkeerstekens op de weg

Verkeerstekens op de WEG

Verkeerstekens op de weg zijn van belang voor iedere weggebruiker. Hieronder een opsomming van de tekens die u tegen kan komen.

Doorgetrokken streep

Een streep zonder onderbrekingen is pas een ‘doorgetrokken streep‘ als hij minstens 20 m lang is. We onderscheiden twee groepen doorgetrokken strepen: kantstrepen en strepen voor het scheiden van rijstroken. Een kantstreep bevindt zich langs de rand van de rijbaanverharding.

Een doorgetrokken streep tussen rijstroken op rijbanen of paden met verkeer in beide richtingen betekent dat u die streep niet naar links mag overschrijden en dat u zich niet links van die streep mag bevinden. Dat mag wel als aan de rechterzijde van de doorgetrokken streep een onderbroken streep is aangebracht. Als de streep zich bevindt tussen rijstroken of op paden voor verkeer in één richting, mag u die streep niet naar links of naar rechts overschrijden. Ook in dit geval mag dat wél als tussen u en de doorgetrokken streep een onderbroken streep is aangebracht.

Bijzondere gevallen

De doorgetrokken streep tussen een vluchthaven of vluchtstrook op een auto(snel) weg en de rechter rijstrook is geen ‘doorgetrokken streep‘ in de zin van het hiervoor behandelde. De streep vormt immers geen scheiding tussen twee rijstroken (een vluchtstrook of vluchthaven is geen rijstrook) en men kan het ook geen kantstreep noemen. In een noodgeval mag u de vluchtstrook of vluchthaven wel gebruiken en dus de streep overschrijden. Is een vluchtstrook opengesteld als spitsstrook dan mag de doorgetrokken streep ook overschreden worden. Voor een kantstreep, die geen scheiding tussen twee rijstroken vormt, gelden de hiervoor behandelde regels ook niet. Een kantstreep mag u overschrijden, bijvoorbeeld om de berm te gebruiken bij pech, om daar te parkeren, of om een inrit in te rijden.

U mag de doorgetrokken streep overschrijden als de spitsstrook open is.

Doorgetrokken en onderbroken streep

Als een rijbaan of pad door een naast elkaar liggende doorgetrokken en onderbroken streep in rijstroken is verdeeld, dan mag u deze strepen overschrijden als u de onderbroken streep aan uw kant hebt. Maar u moet er wel rekening mee houden dat inhalen hier meer gevaar oplevert. Deze twee strepen naast elkaar noemen we ook wel combinatiestreep.

Omdat de streep onmiddellijk links van u een onderbroken streep is, mag u de doorgetrokken streep ook overschrijden.

Onderbroken streep

Er worden overwegend twee soorten onderbroken strepen gebruikt: de onderbroken streep met de verhouding 1:3 die in feite alleen het midden van de rijbaan of het pad aangeeft en de onderbroken streep met de verhouding 3:1 (waarbij de strepen dus drie keer zolang zijn als de onderbrekingen). Deze streep geeft niet alleen het midden aan, maar waarschuwt ook voor het feit dat u bijvoorbeeld bochten, hellingen of andere onoverzichtelijke situaties nadert of dat er een doorgetrokken streep volgt. Deze waarschuwingsstrepen geven dus aan dat u nog voorzichtiger moet zijn dan u al was.

Blokmarkering

Een blokmarkering is een onderbroken streep die u mag overschrijden en geeft de invoeg- en uitrijstroken en splitsingen in wegen aan. Als langs een blokmarkering een doorgetrokken streep is aangebracht, mag u deze markering en streep pas dan overschrijden als u de onderbroken markering aan uw kant hebt. Soms worden met blokmarkeringen voorsorteerstroken aangegeven. Twee rijen blokmarkeringen naast elkaar, dwars over de rijbaan, geven een oversteekplaats voor fietsers, snorfietsers en bromfietsers aan.

Reflectoren

Reflectoren worden beschouwd als scheiding door een onderbroken streep. Op een doorgetrokken streep mogen ook reflectoren worden aangebracht. Deze streep blijft dan toch een doorgetrokken streep.

Kantstrepen

Kantstrepen zijn doorgetrokken strepen langs de kanten van de rijbaan. Deze strepen geven het verloop van de rijbaan aan. U mag deze strepen overschrijden als u in geval van noodzaak gebruik wilt maken van een vluchtstrook, vluchthaven of de berm. U mag deze streep ook overschrijden als u in- en uitritten in of uit wilt rijden of als u wilt parkeren op een parkeerstrook of in de berm.

Gele doorgetrokken streep

U mag uw voertuig niet laten stilstaan langs een gele doorgetrokken streep.

Tijdelijke maatregelen

Bij wegwerkzaamheden is het dikwijls noodzakelijk tijdelijke maatregelen te nemen. Soms worden wegen geheel of gedeeltelijk afgesloten. Weggebruikers zullen dan worden geconfronteerd met ‘werk in uitvoering’. Zij worden hiervoor gewaarschuwd door (matrix)borden. Ter plaatse worden zij geholpen door de aangebrachte bebakening zoals verkeerskegels en tijdelijke gele strepen op het wegdek. Tijdelijk geplaatste of toegepaste verkeerstekens op het wegdek hebben dus de kleur geel en gaan boven de ter plekke aangebrachte andere verkeerstekens op het wegdek. Wanneer er bijvoorbeeld een witte doorgetrokken streep is aangebracht op het wegdek maar bij werkzaamheden ligt er een gele onderbroken streep naast, dan geldt de gele wegmarkering en mag de streep gewoon overschreden worden.

Bij wegwerkzaamheden moet u dus extra goed opletten en snelheid aanpassen. Ook kunnen de tijdelijke strepen glad zijn. Bij omleidingen wordt de route aangegeven door gele borden met een symbool, nummer of letter.

Blauwe streep

Een blauwe streep is aangebracht in een parkeerschijfzone. Als u parkeert langs deze streep, moet u daarom altijd een parkeerschijf gebruiken.

Schuine pijl

De schuine pijl die is aangebracht op een rijstrook vóór verdrijvingsvlakken geeft aan dat u die rijstrook moet verlaten in de aangegeven richting.

Verdrijvingsvlak

Een verdrijvingsvlak is een weggedeelte waarop schuine strepen zijn aangebracht. U mag dit vlak niet gebruiken. De strepen verwijzen u naar die zijde van de rijbaan waar u moet gaan rijden.

Puntstuk

Een puntstuk is een meerhoekig vlak op het wegdek bij splitsingen of samenvoegingen van wegen, rijstroken of rijbanen. Met ‘meerhoekig‘ wordt niet alleen de bekende driehoek bedoeld, maar ook rechthoeken en trapeziumvormige stukken. Puntstukken zijn aangebracht op het wegdek ter geleiding van het verkeer.

Verkeerstekens op de weg

 

Deze puntstukken mogen aan beide zijden voorbij gereden worden. Puntstukken mogen, net als verdrijvingsvlakken, niet worden gebruikt door bestuurders. Dit verbod geldt niet wanneer een bestuurder een spitsstrook volgt en daardoor onvermijdelijk over het puntstuk moet rijden.

Voorsorteerstrook

Als u op een kruispunt een bepaalde richting wilt volgen, moet u als bestuurder van een motorvoertuig of bromfiets gebruikmaken van de aanwezige voorsorteerstrook waarin deze richting met pijlen wordt aangegeven. Is de voorsorteerstrook voorzien van een doorgetrokken streep, L4 dan mag u niet meer van strook veranderen.

Bord L4 kan van tevoren aangeven dat u moet voorsorteren.

Busbaan

Een busbaan is een rijbaan waarop het woord ‘BUS’ of ‘LIJNBUS’ is aangebracht. Als op de rijbaan het woord ‘BUS’ is aangebracht mogen uitsluitend bestuurders van lijnbussen, andere autobussen en trams deze rijbaan gebruiken. Als op deze rijbaan het woord ‘LIJNBUS’ is aangebracht, dan mogen uitsluitend bestuurders van lijnbussen en trams deze rijbaan gebruiken.

Busstrook

Een busstrook is een rijbaangedeelte dat door een doorgetrokken of onderbroken streep van de rijbaan is afgescheiden en waarop het woord ‘BUS’ of ‘LIJNBUS’ is aangebracht. Als op deze strook het woord ‘BUS’ is aangebracht mogen uitsluitend bestuurders van lijnbussen, andere autobussen en trams deze strook gebruiken. Als op deze strook het woord ‘LIJNBUS’ is aangebracht, dan mogen uitsluitend bestuurders van lijnbussen en trams deze strook gebruiken.

Parkeerstroken en parkeervakken

Parkeerstroken en parkeervakken worden met strepen, andere verharding of met de letter ‘P‘ gemarkeerd. U mag uitsluitend op die plaatsen recht en geheel binnen de aangegeven markering parkeren.

Fietsstrook

Een fietsstrook is een gedeelte van de rijbaan dat door een doorgetrokken of onderbroken streep is gemarkeerd en waarop afbeeldingen van een fiets zichtbaar zijn. Het gebruik van deze strook met doorgetrokken streep is verboden voor andere bestuurders, behalve voor (snor)fietsers en bestuurders van een gehandicaptenvoertuig. Het volgen van deze strook met onderbroken streep is voor andere bestuurders wel toegestaan. Vanzelfsprekend mag u daarbij niemand hinderen.

Stopstreep

Een stopstreep is een brede streep die in de dwarsrichting is geplaatst. Als de stopstreep voor u bestemd is, moet u altijd stoppen bij het stopbord, bij een stopteken van een verkeersregelaar, bij een voetgangersoversteekplaats (zebrapad) of oversteek met verkeersbrigadiers en als het verkeerslicht op rood staat. Bij dubbele stopstrepen, de zogeheten opgeblazen fietsstrook, is de voorste streep bestemd voor fietsers en snorfietsers en de achterste streep voor de overige bestuurders.

Stopbord

Een stopbord (B7) waarschuwt dat u een kruispunt nadert waar u eerst vóór het kruispunt moet stoppen en voorrang moet verlenen aan bestuurders (dat zijn alle weggebruikers behalve voetgangers) op de kruisende weg. Voor deze kruispunten is op de weg ook een stopstreep aangebracht.

Haaientanden

Haaientanden zijn voorrangsdriehoeken op de weg. Als u een kruispunt met deze driehoeken nadert moet u voorrang verlenen aan bestuurders op de kruisende weg. Voor deze kruispunten is meestal ook bord B6 geplaatst.

Voorrangsteken

Een voorrangsteken waarschuwt u dat u een kruispunt nadert waar u voorrang moet verlenen aan bestuurders op de kruisende weg. Voor deze kruispunten is ook bord B6 geplaatst en zijn op de weg meestal haaientanden aangebracht.

Voetgangersoversteekplaats

Een voetgangersoversteekplaats (zebrapad) is een markering die in de dwarsrichting van de rijbaan, het fietspad of het fiets/bromfietspad is aangebracht en uit brede witte strepen bestaat.

Andere oversteekplaats

Een andere oversteekplaats is een markering die in de dwarsrichting van de rijbaan, het fietspad of het fiets/bromfietspad is aangebracht en die uit smalle onderbroken strepen (kanalisatiestrepen) bestaat (bijvoorbeeld een oversteekplaats voor voet- gangers, fietsers en snor/bromfietsers).

Verkeersdruppel

Verkeersdruppels zijn druppelvormige vlakken die de functie hebben van een (getekende) vluchtheuvel.

Zigzagstreep

De zigzagstreep betekent dat u snelheid moet minderen omdat u een gevaarlijk punt nadert.

Maximumsnelheid

Een aanduiding van de maximumsnelheid op borden wordt soms ondersteund door een aanduiding op het wegdek.

Tunnelteken

Bewegwijzering in een rij- of voorsorteerstrook kan u op onbekende plaatsen zekerheid geven over uw geplande reisbestemming.

Een tunnelteken in een rij- of voorsorteerstrook geeft aan dat die strook bestemd is voor bestuurders die de rijstrook naar de tunnel willen volgen.