Blogarchief

Verkeerslichten

Verkeerslichten

Driekleurige verkeerslichten

Wordt het verkeer geregeld door middel van driekleurige verkeerslichten, dan is de betekenis van:

  • groen licht: doorgaan;
  • geel licht: stop, bestuurders die het licht zo dicht genaderd zijn dat stoppen redelijkerwijs niet meer mogelijk is: doorgaan; – rood licht: stop.

Als in een driekleurig verkeerslicht of in een daaraan toegevoegd éénkleurig verkeerslicht een verlichte pijl zichtbaar is, geldt het licht uitsluitend voor de door de pijl aangegeven richting.

Bij een groene verlichte pijl is er dan in principe een vrije route. Let echter goed op bestuurders die net door rood rijden!

Als onder of bij een driekleurig verkeerslicht een bord is geplaatst met de tekst ‘rechtsaf voor fietsers vrij‘ gelden het gele en rode licht niet voor rechtsafslaande fietsers, snorfietsers en bestuurders van gehandicaptenvoertuigen. Zij moeten dan het overige verkeer ter plaatse voor laten gaan.

Op plaatsen waar bromfietsers op een fiets-/bromfietspad rijden kan bij driekleurige verkeerslichten een bord zijn geplaatst met de tekst ‘rechtsaf voor (brom)fietsers vrij‘.

Als de verkeerslichten niet werken, knippert meestal het gele licht. Dat betekent: gevaarlijk punt, voorzichtigheid geboden. Vaak zijn bij kruispunten verkeersborden geplaatst die dan de voorrang regelen. Als deze borden niet zijn geplaatst, dan gelden onder die omstandigheden ter plaatse de normale voorrangsregels.

Militaire colonne

Bestuurders van een motorvoertuig van een militaire colonne die het verkeerslicht bij groen licht is begonnen te passeren, mogen blijven doorgaan ook nadat een andere kleur licht zichtbaar is geworden.

Weggebruikers voor wie het verkeerslicht op groen springt, moeten wachten tot de gehele colonne voorbij is.

Als u zich tussen de colonne heeft gevoegd, bijvoorbeeld door een inhaalmanoeuvre, maakt u geen deel uit van de militaire colonne en moet u wel stoppen voor een geel of rood verkeerslicht.

U behoort met uw auto niet tot de militaire colonne. U moet stoppen voor het rode verkeerslicht.

De verplichting om bij een geel of rood verkeerslicht te stoppen geldt niet voor bestuurders van voorrangsvoertuigen.

Tweekleurige verkeerslichten

Tweekleurige verkeerslichten betekenen:

– geel licht: stop, bestuurders die het licht zo dicht genaderd zijn dat stoppen redelijkerwijs niet meer mogelijk is: doorgaan; – rood licht: stop.

 

Tweekleurig Verkeerslicht

Deze tweekleurige verkeerslichten worden vaak toegepast op plaatsen waar ze slechts incidenteel in werking hoeven te zijn, zoals bij bruggen en oversteekplaatsen. Ze staan ook bij uitritten van politie, brandweer, ziekenhuizen en GGD waar vaak bestuurders van voorrangsvoertuigen in- en uitrijden.

 

Aftelverkeerslichten

In verband met een vlottere doorstroming van het verkeer zijn er op diverse plaatsen in ons land zogenoemde aftelverkeerslichten geplaatst. Tenminste drie seconden voor het licht op groen springt gaat er, zichtbaar op het verkeerslicht, een teller lopen. Het systeem zorgt er voor dat de voorste bestuurder in de rij een halve seconde eerder vertrekt en er gaan ook meer voertuigen door die groene fase. Hierdoor wordt dus de capaciteit van een kruispunt vergroot.

Aftelverkeerslichten hebben het doel de doorstroming te bevorderen.

Tram- en buslichten

Tram- en buslichten moeten worden toegepast bij drie of tweekleurige verkeerslichten -als ter plaatse voor trams en/of lijnbussen en autobussen een eigen ruimte, gescheiden van het overige verkeer, beschikbaar is- of als ter plaatse bestuurders van trams en/of lijnbussen en autobussen vanuit een rijstrook een richting mogen volgen die aan het overige verkeer in die rijstrook niet is toegestaan. Deze lichten gelden natuurlijk ook voor bestuurders van andere voertuigen die een busbaan of busstrook volgen waar tram/buslichten staan. Denk bijvoorbeeld aan een taxi.

Door middel van de lampjes wordt aangegeven welke richting wordt geregeld:

  • rechtsboven en linksonder wit licht of wit knipperlicht:

bestuurders van trams, lijnbussen en andere autobussen mogen rechts afslaan;

  • linksboven en rechtsonder wit licht of wit knipperlicht:

bestuurders van trams, lijnbussen en andere autobussen mogen links afslaan;

  • linksboven en rechtsboven en middenonder wit licht of wit knipperlicht:

bestuurders van trams, lijnbussen en andere autobussen mogen links en rechts afslaan;

  • middenboven en middenonder wit licht of wit knipperlicht:

bestuurder van trams, lijnbussen en andere autobussen mogen rechtdoor gaan;

  • linksboven en middenboven en middenonder wit licht of wit knipperlicht:

bestuurders van trams, lijnbussen en andere autobussen mogen rechtdoor en links afslaan;

  • rechtsboven en middenboven en middenonder wit licht of wit knipperlicht: bestuurders van trams, lijnbussen en andere autobussen mogen rechtdoor en rechts afslaan;
  • middelste geel licht:

bestuurders van trams, lijnbussen en andere autobussen moeten stoppen. Bestuur ders die het licht zo dicht genaderd zijn dat stoppen redelijkerwijs niet meer mogelijk is: doorgaan;

  • middelste rij, links en rechts rood licht: bestuurders van trams, lijnbussen en andere autobussen moeten stoppen.

Er kunnen op kruispunten meerdere tram-/buslichten zijn geplaatst, zodat verschillende rijrichtingen tegelijk kunnen worden geregeld.

Overweglichten

Als overwegen voorzien zijn van lichten dan betekent: – wit knipperlicht: er nadert geen trein; – rood licht of rood knipperlicht: stop.

Bruglichten

Als bruggen voorzien zijn van lichten betekent:

  • rood licht of rood knipperlicht: stop.

Rijstrooklichten

Als boven rijstroken lichten zijn aangebracht dan betekent:

  • een verlichte groene pijl of maximumsnelheid: de rijstrook mag worden gebruikt met inachtneming van de aangegeven maximumsnelheid;
  • een verlicht rood kruis: de rijstrook mag niet worden gebruikt. Een verlicht rood kruis boven een spitsstrook (zie de onderdelen SPITSSTROOK) betekent dat de vluchtstrook alleen in noodgevallen mag worden gebruikt.

Het negeren van een rood kruis valt inmiddels onder de zogenoemde ‘hufterfeiten’. Dat betekent dat deze overtredingen via het strafrecht worden afgehandeld. Dat houdt in dat er naast een geldboete ook andere straffen en maatregelen kunnen worden opgelegd, zoals gevangenisstraf en intrekking van het rijbewijs.

  • een verlicht wit einde teken: einde van alle op een elektronisch signaleringsbord aangegeven verboden;
  • een verlichte witte tekst ‘BUS‘:

de rijstrook is bestemd voor bestuurders van lijnbussen en van andere autobussen;

  • een verlichte witte tekst ‘LIJNBUS‘: de rijstrook is uitsluitend bestemd voor bestuurders van lijnbussen;
  • een verlicht waarschuwingsbord: waarschuwingsborden geven aan waarom u voorzichtiger en/of langzamer moet gaan rijden bijvoorbeeld bij file, ongeval, slecht zicht door sneeuw, regen, mist, ijzel of sneeuw;
  • een verlichte witte tekst ‘FILE‘:

Naast rijstrooklichten boven rijstroken kunnen er ook verlichte teksten naast de weg zijn aangebracht zoals bijvoorbeeld  ‘file‘.

Gele knipperlichten op lichtbakken vragen extra aandacht voor de gegeven adviezen of waarschuwingen.

Als er op zowel de rijstrooklichten als de verkeersborden een maximumsnelheid wordt aangegeven, geldt de laagste aangegeven maximumsnelheid.

Boven de weg kan ook een verlichte tekst met route-informatie worden aangegeven. Zo’n elektronisch matrixbord heet ‘Dynamisch Route Informatie Paneel‘ en geeft informatie over de komende route.

Voetgangerslichten

Als voetgangersoversteekplaatsen zijn voorzien van lichten dan betekent:

  • groen licht: voetgangers mogen oversteken;
  • groen knipperend licht: voetgangers mogen oversteken, maar het rode licht verschijnt spoedig;
  • rood licht: voetgangers mogen niet meer beginnen met oversteken, reeds overstekende voetgangers moeten zo snel mogelijk doorlopen.

Het rode licht kan worden vervangen door een geel knipperlicht in de vorm van een waarschuwingsdriehoek. Het geeft aan dat voetgangers op eigen risico mogen oversteken, mits zij het overige verkeer ter plaatse -ook het afslaande verkeer- voor laten gaan. Voetgangers die liever willen oversteken als het rijdende verkeer rood licht heeft kunnen wachten op het groene voetgangerslicht, want dat blijft gehandhaafd.

Voetgangerslichten kunnen voorzien zijn van een rateltikker. Blinden en slechtzienden kunnen daarmee horen of zij veilig kunnen oversteken. Als het voetgangerslicht op rood staat, is een tikkend geluid te horen. Staat het voetgangerslicht op groen, dan is een snel tikkend, ratelend geluid te horen.

Als bij verkeerslichten een drukknopinstallatie voor voetgangers is geplaatst, dan moeten voetgangers eerst op de drukknop drukken om groen licht te krijgen. Bij deze installaties is meestal het gele drukknopbord geplaatst.

Geel knipperlicht

Een geel knipperlicht betekent:

– gevaarlijk punt: voorzichtigheid geboden.

U nadert dan bijvoorbeeld een oversteekplaats, een onoverzichtelijk kruispunt of een wegopbreking. Meestal is het veiliger om uw snelheid te minderen en extra voorzichtig het gevaarlijke punt te naderen.

Algemene bepalingen

Algemene BEPALINGEN

Algemene bepalingen. De bevoegdheid van opsporingsambtenaren.
Alle bevoegde en kenbare ambtenaren mogen aanwijzingen en bevelen geven voor de veiligheid en vrijheid van het verkeer. U bent verplicht op het eerste verzoek te stoppen en de verplichte ‘documenten’ zoals het rij- en kentekenbewijs af te geven, zodat deze ambtenaren ze kunnen controleren. Als het nodig is mogen ze uw voertuig onderzoeken en daarvoor naar een andere plaats (laten) overbrengen. U bent verplicht medewerking te verlenen en zo nodig de ambtenaar in uw voertuig te vervoeren. In het belang van de veiligheid of voor het vrijhouden van bepaalde plaatsen mag de ambtenaar uw voertuig (laten) verplaatsen of in bewaring stellen.

Aanwijzingen

Aanwijzingen gaan altijd boven verkeerstekens en verkeersregels. U bent verplicht de aanwijzingen onmiddellijk op te volgen die bevoegde en kenbare ambtenaren mondeling of door gebaren geven. Dat geldt ook voor militairen van de marechaussee en als zodanig herkenbare verkeersregelaars. Verder bent u verplicht te stoppen als een begeleider van een railvoertuig een stopteken geeft met een stopbordje, rode vlag of lamp. Ook bent u verplicht te stoppen voor het stopteken van kenbare en bevoegde verkeersbrigadiers.
U moet nu rechts afslaan, omdat de aanwijzing van de politieagent boven het verkeersbord gaat.
Alle weggebruikers zijn ook verplicht te stoppen als dit wordt aangegeven met een rode lamp of met een lichtbak die is aangebracht aan een politievoertuig en waarop met rode letters de tekst ‘STOP’ of ‘STOP POLITIE’ staat.
Oók kan de tekst ‘VOLGEN’ getoond worden. U moet dan het politievoertuig volgen tot u de aanwijzing ‘STOP’ krijgt.

Verkeerstekens

Verkeerstekens gaan boven verkeersregels, voor zover deze regels onverenigbaar zijn met deze verkeerstekens. Weggebruikers zijn verplicht gevolg te geven aan verkeerstekens die een gebod of verbod inhouden. Er zijn drie verschillende soorten verkeerstekens, namelijk verkeerslichten, verkeersborden en verkeerstekens op de weg.
Verkeerslichten gaan boven verkeersborden en boven verkeersregels die de voorrang regelen. Dat betekent dat u als bestuurder bij een rood verkeerslicht moet stoppen en voorrang moet verlenen aan bestuurders die groen licht hebben. Ook als u op een voorrangsweg rijdt of als de andere bestuurder van links komt moet u bij een rood verkeerslicht stoppen.

Parkeerbord

U rijdt op een voorrangsweg en nadert een rood verkeerslicht. U hoeft niet over ’voorrang‘ na te denken. Hier geldt uitsluitend het gebod van het rode licht: stop!
Als een weg is verdeeld in rijstroken, kan de toepassing van een verkeersbord worden beperkt tot één of meer rijstroken zoals een beperking of een inrijverbod voor voertuigen die, met inbegrip van de lading, breder zijn dan op het bord is aangegeven.De borden E1 (parkeerverbod), E2 (verbod stil te staan), E3 (verbod fietsen of bromfietsen te plaatsen) gelden uitsluitend voor die zijde van de weg waar het bord is geplaatst.
Het parkeren van een voertuig en het plaatsen van een fiets, snorfiets en bromfiets is toegestaan op de daarvoor bestemde weggedeelten, zoals parkeervakken, parkeerstroken, fietsklemmen enz.
Als boven een bord het woord ‘ZONE‘ is aangebracht geldt het bord.
Onder verkeersborden kunnen onderborden zijn aangebracht. De symbolen op de onderborden hebben dezelfde betekenis als de symbolen op de verkeersborden. Het verkeersbord geldt dan uitsluitend voor de op de onderborden getoonde weggebruikers. Als op het onderbord het woord ‘UITGEZONDERD‘ voorkomt geldt het verkeersbord niet voor de op de onderborden getoonde weggebruikers.
U mag deze weg inrijden. De geslotenverklaring geldt uitsluitend voor vrachtauto‘s.

Herkenbaarheid verkeersborden

Verkeersborden zijn er in diverse vormen en kleuren. De ronde borden (veelal met rode rand of geheel blauw) houden een verbod of gebod in. Driehoekige borden geven meestal een gevaarlijke situatie aan. Vierkante blauwe borden kunnen een regiem in een bepaald gebied aangeven, informatie bevatten of bewegwijzering inhouden. Blauwe parkeerborden kunnen ook een verbod voor andere voertuigen, dan die op het bord staan, inhouden. Verder zijn er borden die u informatie verschaffen, zoals bijvoorbeeld voor wegbewijzering en bij voorsorteren.
Om het u wat gemakkelijker te maken heeft de wetgever de borden verdeeld in groepen.
De indeling is: A. Snelheid.
B. Voorrang.
C. Geslotenverklaring.
D. Rijrichting.
E. Parkeren en stilstaan.
F. Overige geboden en verboden. G. Verkeersregels.
H. Bebouwde kom.
J. Waarschuwing.
K. Bewegwijzering.
L. Informatie.

Verkeersregels

Verkeersregels zijn regels die voorschrijven hoe weggebruikers zich moeten gedragen in het verkeer. De Verkeersregels moeten door alle weggebruikers worden opgevolgd als er geen aanwijzingen worden gegeven of als er geen verkeerstekens aanwezig zijn. Bijvoorbeeld de normale voorrangsregels, plaats op de weg en de regels met betrekking tot de verschillende maximumsnelheden. We zullen zien dat de verkeersregels echter niet voor alle weggebruikers onder alle omstandigheden hetzelfde zijn. Soms gelden andere regels en soms zijn uitzonderingen van toepassing. De normale voorrangsregels vallen onder het begrip verkeersregels. U moet hier de auto van rechts voorrang verlenen.

Verplichtingen bestuurders

– Bestuurders moeten altijd over de vereiste rijvaardigheid beschikken en zij moeten daartoe lichamelijk en geestelijk geschikt zijn. Ongemak, stress, en haast kan uw rijvaardigheid geestelijk ongunstig beïnvloeden. Met een arm of been in het gips bent u meestal lichamelijk ongeschikt;
– Bestuurders mogen bij het besturen niet door passagiers, lading, dieren of op andere wijze worden gehinderd of worden afgeleid.
Verplichtingen ten opzichte van andere weggebruikers
Bestuurders moeten blinden, voorzien van een witte stok met één of meer rode ringen voor laten gaan. Dat geldt ook voor alle personen die zich moeilijk voortbewegen, bijvoorbeeld ouderen en gehandicapten.
Bestuurders moeten het overige verkeer voor laten gaan als zij een bijzondere manoeuvre uitvoeren. Zoals bij het wegrijden, achteruitrijden, in file parkeren, uit een uitrit de weg oprijden. Ook van een weg een inrit inrijden, keren, van de invoegstrook de doorgaande rijbaan oprijden, van de doorgaande rijbaan de uitrijstrook oprijden en van rijstrook wisselen.
Verder moeten bestuurders bij alle belangrijke zijdelingse verplaatsingen en bij het veranderen van rijstrook richting aangeven.
U moet het overige verkeer voor laten gaan tijdens het uitvoeren van een bijzondere manoeuvre.

Slepen

Bestuurders van motorvoertuigen en brommobielen mogen per keer niet meer dan één motorvoertuig slepen. De onderlinge afstand mag maximaal 5 m bedragen. U mag voor de veiligheid in het midden van de sleepkabel een rode vlag bevestigen en waarschuwingsknipperlichten voeren. De bestuurder van het gesleepte motorvoertuig moet – voorzover vereist – in het bezit zijn van een geldig rijbewijs en het kentekenbewijs voor dat motorrijtuig. Het gesleepte voertuig moet minimaal WA verzekerd zijn. Als u gesleept wordt, moeten uw passagiers plaatsnemen in het voorste voertuig. Als in het voorste voertuig geen plaats is, mogen zij in uw auto plaatsnemen. Deze regel is ingevoerd om ervoor te zorgen dat in het gesleepte voertuig zo min mogelijk gewicht aanwezig is. U moet, als u wordt gesleept, extra alert zijn, want tijdens het slepen zonder draaiende motor zullen de rem- en stuurbekrachtiging niet werken.
Het is niet toegestaan een tweewielig motorvoertuig te slepen.

Verplichte documenten

Bestuurders mogen hun auto niet op de openbare weg laten staan of ermee aan het openbare verkeer deelnemen als niet aan de volgende voorwaarden is voldaan: – er moet een geldig kentekenbewijs deel 1A (technische gegevens) en deel 1B (gegevens van de eigenaar of houder) aanwezig zijn. Deel 2 (overschrijvingsbewijs) heeft een functie bij het wijzigen van de tenaamstelling van het voertuig. Dit bewijs kan het beste thuis op een veilige plaats worden bewaard. Het (oude) kopie deel 3 kan ook nog als overschrijvingsbewijs dienen;
– er moeten twee goedgekeurde gele kentekenplaten met hetzelfde kenteken aanwezig zijn;
– de houderschapsbelasting moet zijn betaald. Voor aanhangwagens achter een personenauto, bestelauto of autobus en alle caravans en vouwwagens hoeft geen belasting betaald te worden.

Bestuurders mogen niet met een motorfiets, auto, vrachtauto of autobus aan het openbare verkeer deelnemen zonder (geldig) rijbewijs voor het motorvoertuig dat wordt gebruikt. Verder mogen zij geen motorrijtuig besturen, ook niet om rijles te nemen of voor een rijexamen, als het rijbewijs is ingevorderd of tijdens de periode van een ontzegging van de rijbevoegdheid.
Bestuurders mogen op de openbare weg met een vrachtauto of autobus geen rijles nemen zonder in het bezit te zijn van een geldig rijbewijs B.
De rij-instructeur geeft u aanwijzingen

Begripsbepalingen

Begripsbepalingen

Met de begripsbepalingen zijn in de verkeerswetgeving diverse begrippen opgenomen. Dat is gedaan om duidelijk
te maken voor wie en in welke situatie de verkeersregels gelden. Het kennen van deze begrippen is dus erg belangrijk omdat er verschillende weggebruikers zijn.
Naast het zijn van voetganger besturen veel mensen (verschillende) voertuigen. Het kennen van de begripsbepalingen is de basis voor de verkeerskennis.

Verkeer

Verkeer zijn alle weggebruikers.

Weggebruikers

Weggebruikers zijn voetgangers, fietsers, brom- en snorfietsers, bestuurders van een gehandicaptenvoertuig, van een brommobiel, van een motorvoertuig of van een tram, ruiters, geleiders van rij- of trekdieren of vee en bestuurders van een bespannen of onbespannen wagen.
De regels voor wagens gelden ook voor door voetgangers gevormde colonnes, optochten en uitvaartstoeten voor zover deze de rijbaan volgen.

Begripsbepalingen weggebruikers

Voetgangers

Voetgangers zijn weggebruikers die zich lopend voortbewegen. Bestuurders van een gehandicaptenvoertuig volgen echter óók de regels voor voetgangers als zij op een voetpad of trottoir rijden, of van het ene naar het andere voetpad of trottoir oversteken. Hetzelfde geldt voor iemand die een fiets, brom- of snorfiets of motorfiets aan de hand meevoert, maar ook voor degene die zich verplaatst met behulp van voorwerpen die geen voertuigen zijn, zoals rolschaatsen, skateboards, skeelers, autopeds enz. Een kind op een kinderfietsje wordt ook als voetganger beschouwd (een kind vanaf 12 jaar kan een bekeuring krijgen).
Onder verkeer verstaan we alle weggebruikers, zoals bestuurders en voetgangers.