• +088- 040 6600
  • info@tomtheorie.nl

Blogarchief

Afslaan

Afslaan

Rechts afslaan

Wilt u naar rechts afslaan, dan moet u:

  • eerst kijken in de binnenspiegel, dan naar voren, in de rechterbuitenspiegel en over de rechterschouder voor de dode hoek;
  • als het veilig is rechts richting aangeven;
  • in de meeste gevallen naar rechts voorsorteren.
  • het rechtdoorgaande verkeer op dezelfde weg -ook voetgangers- voor laten gaan. Voetgangers die ter plaatse bij geel knipperlicht in de vorm van een waarschuwingsdriehoek -op eigen risico- oversteken, hoeft u niet voor te laten gaan. – de bocht naar rechts kort nemen.

Fietsstroken gemarkeerd met een doorgetrokken streep mag u niet gebruiken. Fietsstroken gemarkeerd met een onderbroken streep mag u wel gebruiken, mits u niemand hindert. Dat geldt ook voor het gebruik van een (fiets)suggestiestrook. Houd ook extra rekening met bromfietsers op de rijbaan die rechtdoor gaan.

Links afslaan

Wilt u naar links afslaan, dan moet u:

  • eerst kijken in de binnenspiegel, dan naar voren, in de linkerbuitenspiegel en linksopzij voor de dode hoek;
  • als het veilig is links richting aangeven;
  • voorsorteren naar links. In de meeste gevallen kan het beste tegen de wegas worden voorgesorteerd, waarbij de wielen in de rechtuit stand blijven staan. Dat laatste is veiliger bij een eventuele kop-staart aanrijding.
  • het rechtdoorgaande verkeer op dezelfde weg (ook de voetgangers) voor laten gaan;
  • de bocht naar links ruim nemen.

 

Op wegen met uitsluitend éénrichtingsverkeer (aangeduid door bord C3) en op éénrichtingsrijbanen, kunt u het beste uiterst links voorsorteren.

Op wegen met éénrichtingsverkeer kunt u voor het links afslaan het best uiterst links voorsorteren.

Op wegen met beperkt éénrichtingsverkeer kunt u wel tegenliggers verwachten. Het zijn de voertuigen aangeduid op het onderbord van bord C3 met de tekst ‘uitgezonderd‘.

Afslaan

Op onvolledige éénrichtingswegen kunt u wel de uitgezonderde voertuigen tegenkomen. Daarom moet u zich hier houden aan dezelfde voorschriften als op twee richtingswegen.

U moet zich dan houden aan dezelfde voorschriften als op tweerichtingswegen:

Voetgangers die ter plaatse bij geel knipperlicht in de vorm van een waarschuwingsdriehoek  -op eigen risico- oversteken hoeft u niet voor te laten gaan.

U moet het verkeer, dat op dezelfde weg rechtdoor gaat, voor laten gaan.

Voorsorteren niet verplicht

Bestuurders die willen afslaan mogen voorsorteren. Voorsorteren wordt niet verplicht gesteld. Bestuurders moeten zelf verkeersinzichtelijk beoordelen wanneer zij wel of niet willen voorsorteren, tenzij verkeerstekens dit verplichten. U moet ook voorsorteren in situaties waarbij, als u dit niet doet, een onveilige situatie ontstaat of kan ontstaan of een vlotte doorstroming van het verkeer wordt of kan worden belemmerd. Maar er kunnen ook verkeersomstandigheden zijn, bijvoorbeeld op drukkere wegen en in smalle straatjes, waarbij voorsorteren gevaarlijker is dan niet voorsorteren.

Het voorsorteren voor links gelegen inritten op drukke wegen kan in bepaalde omstandigheden ook gevaar opleveren.

Vrachtauto‘s, zeker met een aanhangwagen, moeten vaak voor krappe bochten naar rechts, eerst naar links uitwijken om vervolgens naar rechts te kunnen afslaan. Daarom zal iedere bestuurder voor het afslaan, naar links of naar rechts verkeersinzichtelijk moeten denken en handelen.

 

Voorsorteerstroken

Uiteraard moet u tijdig bepalen welke richting u op een kruispunt wilt volgen. Bestuurders van motorvoertuigen, bromfietsers die de rijbaan volgen en bestuurders van brommobielen moeten dan gebruik maken van de voorsorteerstrook waarin deze richting wordt aangegeven. Op het kruispunt mag u uitsluitend die richting volgen, die de pijl in de strook aangeeft. Bord L4 (voorsorteren) kan van te voren zijn geplaatst om tijdig aan te geven dat u moet voorsorteren. Is de voorsorteerstrook voorzien van een doorgetrokken streep, dan mag u niet meer van strook veranderen.

 

Voor elkaar langs rijden

Hoewel het RVV 1990 (Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990) dit niet regelt, verdient het meestal de voorkeur dat u voor elkaar langs rijdt als de tegemoetkomende bestuurders op het kruispunt ook naar links willen afslaan.

In de meeste gevallen kunt u op kruispunten het beste en het veiligst voor elkaar langs rijden.

Om elkaar heen rijden

Op kruispunten met een (brede) middenberm verdient het de voorkeur dat u om elkaar heen rijdt als de tegemoetkomende bestuurders op het kruispunt ook naar links willen afslaan.

Op kruispunten in wegen met een brede middenberm moet u meestal om elkaar heen rijden, tenzij tekens op de weg anders aangeven.

Als op kruispunten met pijlen of andere tekens wordt aangegeven dat u voor elkaar langs of om elkaar heen moet rijden, dan moet u dat doen.

Samen dezelfde straat inrijden

Als u op een kruispunt naar links wilt afslaan, dan moet u tegemoetkomende bestuurders die naar rechts afslaan voor laten gaan (Korte bocht gaat voor lange bocht). Dat geldt niet voor bestuurders van trams. Deze moet u voor laten gaan, ongeacht of zij links of rechts afslaan.

U wilt links afslaan en moet de andere bestuurder, die naar rechts wil afslaan, voor laten gaan.

Afbuigende trams

U moet een afbuigende tram altijd voor laten gaan, ongeacht of u rechtdoor gaat of wilt afslaan op dezelfde weg. Dat geldt niet voor voetgangers en bestuurders van gehandicaptenvoertuigen die op een voetgangersoversteekplaats (zebrapad) oversteken of kennelijk op het punt staan dit te doen. Voor kruispunten waar trams rijden wordt u meestal gewaarschuwd door bord J14 tram(kruising).

Militaire colonne en uitvaartstoet van motorvoertuigen

Weggebruikers mogen ook een afslaande militaire colonne of een uitvaartstoet van motorvoertuigen niet doorsnijden. Dat betekent dat u de naar links afslaande uitvaartstoet voor moet laten gaan. Als de militaire colonne of de uitvaartstoet een kruispunt nadert (dus nog niet is opgegaan) moet zij zich houden aan de normale verkeersregels.

U mag de afslaande uitvaartstoet van motorvoertuigen niet doorsnijden. U moet de uitvaartstoet voor laten gaan. Hetzelfde geldt bij een militaire colonne.

Recht doorgaande motorrijders

Let u bij het linksaf slaan vooral op recht doorgaande motorrijders. Ze worden in zulke situaties nogal eens over het hoofd gezien door automobilisten. Probeert u zo ver mogelijk van het kruispunt het tegemoetkomende verkeer te observeren. Motorrijders voeren bijna altijd verlichting. Eén licht in de verte kan dus een motorfiets zijn. U moet er ook rekening mee houden dat de snelheid van de motorrijder in deze gevallen moeilijk is in te schatten. Wacht bij twijfel even met het oversteken.

Hoe haal jij je rijbewijs

Op weg naar je rijbewijs

Hoe haal ik mijn rijbewijs?

Stap 1:

Bereid je voordat je in de auto stapt eerst voor op het Theorie examen. Het CBR gaat jou toetsen over de kennis van de theorie in het verkeer. Gevaarherkenning en alle verkeersregels zijn in een examen samengevat. Lees hier hoe je je daar het beste op kan voorbereiden. Een goede online cursus, bijvoorbeeld van TOM Theorie kan jou helpen om te slagen, want de meeste cursisten zakken de eerste keer voor het examen.

Stap 2:

Start met rijlessen bij een goede rijschool. Het CBR kan je hierbij helpen. Vraag ook aan vrienden/ familie of zij goede ervaringen hebben met een rijschool of instructeur. Het moet natuurlijk klikken tussen jou de de rijschool, je zit immers vele uren naast elkaar in de auto en je wil natuurlijk ook vakkundig les krijgen.

Stap 3:

Doe een tussentijdse toets bij het CBR. De tussentijdse toets lijkt heel veel op een ‘echt’ praktijkexamen. De examinator toetst of je veilig en zelfstandig kunt rijden. En of je voldoende rekening houdt met andere weggebruikers. De examinator let onder andere op:

  • je beheersing van de auto
  • kijkgedrag
  • of je goed voorrang verleent
  • inhalen
  • in- en uitvoegen
  • rijden op kruispunten en rotondes
  • bijzondere verrichtingen
Hoe haal ik mijn rijbewijs met TOM Theorie

 

Na afloop krijg je een advies van de examinator. Zo weet je precies wat je nog extra moet oefenen, voordat je echt praktijkexamen doet.

Stap 4:

Praktijkexamen bij het CBR. Plan samen met je rij-instructeur je examen in. Bereid je goed voor, zorg dat je ontspannen en relaxed bij het CBR aankomt.

voetgangersoversteekplaats

Voetgangersoversteekplaats

Voetgangersoversteekplaats

Een voetgangersoversteekplaats (zebrapad) is herkenbaar aan de in dwarsrichting van de rijbaan, fietspad of fiets-/bromfietspad aangebrachte markering die bestaat uit brede witte en donkere strepen. Deze oversteekplaats wordt meestal aangeduid door bord L2.

Naderen en voor laten gaan

Alle bestuurders -ook van trams- moeten een voetgangersoversteekplaats voorzichtig naderen en voetgangers en bestuurders van gehandicaptenvoertuigen, die hierop oversteken of kennelijk op het punt staan dit te doen, voor laten gaan. Vaak wordt u door het bord J22 gewaarschuwd, dat u een voetgangersoversteekplaats nadert.

Deze verplichting geldt niet voor bestuurders van een motorvoertuig dat behoort tot een militaire colonne of uitvaartstoet van motorvoertuigen en voorrangsvoertuigen. Als u van een daartoe bevoegd en als zodanig herkenbare verkeersbrigadier de aanwijzing krijgt om te stoppen, dan bent u verplicht deze aanwijzing op te volgen.

Als bij de voetgangersoversteekplaats ook voetgangerslichten in werking zijn, dan geldt de ‘zebra-bescherming’ niet, maar gelden de voetgangerslichten. Voetgangers en bestuurders van gehandicaptenvoertuigen moeten zich dan richten naar die verkeerslichten. Als in plaats van het rode licht een geel knipperlicht in de vorm van een waarschuwingsdriehoek brandt mogen zij op eigen risico oversteken.

voetgangersoversteekplaats

Zij moeten wel al het overige verkeer ter plaatse voor laten gaan, ook het afslaande verkeer. Het overige verkeer houdt met dit oversteken waarschijnlijk geen rekening, omdat het verkeerslicht voor hun op de rijbaan op groen staat. Voetgangers kunnen uiteraard altijd wachten op het groene voetgangerslicht -dat gehandhaafd blijft- zodat zij rustig en veilig kunnen oversteken.

Inhalen verboden

Het is verboden een voertuig vlak voor of op een voetgangersoversteekplaats links of rechts in te halen. Dit verbod geldt ook voor bestuurders van trams. De overstekende weggebruikers moeten er zeker van kunnen zijn dat -als een bestuurder hen voor laat gaan- niet een andere bestuurder het gestopte of langzaam naderende voertuig inhaalt en hen zo toch in gevaar brengt

Inrichtingseisen van de auto

Inrichtingseisen AUTO

Inrichtingseisen waar een auto aan moet voldoen . Het ligt voor de hand dat niet alleen eisen worden gesteld aan de bestuurder, maar ook aan het voertuig. Daarom moet een auto voldoen aan enige inrichtingseisen.

Afmetingen en massa’s

Een personenauto mag maximaal 12 m lang zijn, 2,55 m breed en 4 m hoog. Het kentekenbewijs schrijft maximum-aslasten voor; deze mogen niet worden overschreden. Het kentekenbewijs schrijft ook een toegestane maximummassa voor. De totale massa van de beladen auto en de som van de aslasten mag niet meer zijn dan deze toegestane maximummassa.

Remmen

Een auto moet zijn voorzien van een bedrijfsrem (voetrem) die op alle wielen werkt en waarvan de remvertraging ten minste 5,2m/s2 bedraagt. Een auto moet ook zijn voorzien van een parkeerrem (handrem) die op tenminste twee wielen werkt.

Als er een defect aan het remcircuit ontstaat, is het niet zo dat het voertuig niet meer remt, want dan treedt de noodrem in werking d.w.z. als u de bedrijfsrem gebruikt remt deze toch nog (kruislings) op twee wielen. Ontstaat er een defect aan de bedrijfsrem op alle vier de wielen, dan gebruikt u de parkeerrem -die op ten minste twee wielen werkt- als noodrem.

Heeft u een hydraulisch remsysteem, dan mag de slag van het rempedaal niet door een aanslag beperkt worden. Het oppervlak van het rempedaal moet stroef zijn. Bij wielen met een schijfrem mag de remvoering bij draaien in beide richtingen enigszins slepen. Bij een trommelrem mag dat niet.

Bijna alle auto’s zijn voorzien van een Anti Blokkeer Systeem (ABS). Voordeel van dit systeem is dat bij een (nood)remming de wielen niet blokkeren, waardoor de auto bestuurbaar blijft. Dat is dus veel veiliger. Dat houdt niet in dat u dan sneller kunt gaan rijden. Een ABS zorgt niet altijd voor een kortere remweg!

Achteruitrijinrichting

Motorvoertuigen met een toegestane maximummassa van meer dan 400 kg moeten zijn voorzien van een achteruitrijversnelling. Het geluidssignaal dat dan te horen mag zijn is om andere weggebruikers erop attent te maken dat de achteruitrijversnelling van het voertuig is ingeschakeld.

Stuurinrichting

Een auto moet zijn voorzien van een deugdelijke stuurinrichting.

Richtingaanwijzers

Een auto moet 2 ambergele of witte richtingaanwijzers aan de voorkant hebben, 2 ambergele of rode aan de achterkant en, als de auto van 1998 of later is, 2 ambergele zijrichtingaanwijzers aan elke zijkant. Richtingaanwijzers aan de voorkant van de auto tellen ook als zijrichtingaanwijzer als het licht daarvan ook ambergeel is en schuin achter de auto te zien.

Waarschuwingsknipperlichten

Een auto moet zijn voorzien van waarschuwingsknipperlichten.

Claxon

Een auto moet zijn voorzien van een goed werkende claxon met één vaste toonhoogte. Een samenstel van zodanige, tegelijk werkende hoorns wordt als een hoorn beschouwd. Ook mag een geluids signaal aanwezig zijn om andere weggebruikers erop attent te maken dat de achteruitrijversnelling is ingeschakeld, alsmede een geluidssignaal om ongeoorloofd gebruik of diefstal van het voertuig te voorkomen.

Snelheidsmeter

Een auto moet zijn voorzien van een goed werkende snelheidsmeter, die ook bij nacht voor de bestuurder goed afleesbaar is.

Spiegels

Personenauto’s van na 25 januari 2010 moeten zijn voorzien van een linker buitenspiegel, een rechter buitenspiegel en een binnenspiegel. Als bij zo’n auto met de binnenspiegel het achter de auto gelegen weggedeelte niet voldoende kan worden overzien, hoeft deze niet aanwezig te zijn.

Personenauto’s van vóór 26 januari 2010 moeten zijn voorzien van een linker buitenspiegel en een binnenspiegel. Een rechter buiten spiegel is verplicht als met de binnenspiegel het achter het voertuig gelegen weggedeelte niet vol doende kan worden overzien. Als de binnenspiegel geen zicht naar achteren mogelijk maakt, hoeft de binnenspiegel niet aanwezig te zijn. Het spiegelglas mag geen breuken vertonen en niet ernstig zijn verweerd.

1: Dit gedeelte, de zogenaamde dode hoek, ziet u niet in de spiegel. U moet er voor over uw schouder kijken.

2: Het gezichtsveld van de bestuurder in de buitenspiegels.

3: Het gezichtsveld van de bestuurder in de binnenspiegel.

Autospiegels dode hoek

Ruiten

Een auto mag volgens de inrichtingseisen uitsluitend zijn voorzien van een voorruit en zijruiten die geen beschadigingen of verkleuringen (folie) vertonen en mogen niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen die het uitzicht van de bestuurder belemmeren. Als de auto niet is voorzien van een rechter buitenspiegel geldt dat ook voor de achterruit.

Ruitenwissers, ruitensproeier en voorruit verwarming

Personenauto’s met een voorruit moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitenwisserinstallatie die de bestuurder voldoende uitzicht geeft.

Autogordels

Een personenauto in gebruik genomen na 30 september 2000 moet op alle zitplaatsen, naar voren en naar achteren gericht, gordels hebben. Is de auto van na 31 december 1989, maar vóór 1 oktober 2000, dan moet op de naar voren gerichte zitplaatsen een gordel zitten. Is de auto van vóór 1 januari 1990, dan hoeven er alleen gordels te zijn voor de zitplaats van de bestuurder en de zitplaats naast hem, grenzend aan het portier.

Gordels moeten een goed werkende sluiting en blokkeerinrichting hebben. Het oprolmechanisme moet zo goed werken dat de gordel aanligt na het omdoen.

Schokdempers en draagveren

Een auto moet zijn voorzien van goedwerkende schokdempers en draagveren.

Uitlaat en geluiddemper

Een auto met een verbrandingsmotor moet zijn voorzien van een uitlaatsysteem dat over de gehele lengte gasdicht is, met uitzondering van de afwateringsgaatjes. Het uitlaatsysteem moet deugdelijk zijn bevestigd. De uitstoot van schadelijke stoffen mag niet groter worden dan de waarde waarvoor het type auto is goedgekeurd. Hetzelfde geldt voor de geluidsproductie, de waarde vermeld in het kentekenregister mag met niet meer dan 2 dB worden overschreden.

Banden

De inrichtingseisen verlangen dat de wielen van een auto moeten zijn voorzien van luchtbanden. De banden mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is en mogen geen uitstulpingen vertonen. De profilering van de hoofdgroeven van de banden moet over de gehele omtrek van het loopvlak ten minste 1,6 mm bedragen, met uitzondering van slijtage-indicatoren. De banden mogen niet zijn opgesneden en het loopvlak mag geen metalen elementen bevatten (spijkerbanden) die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken. De banden op één as moeten dezelfde maataanduiding hebben.

Inrichtingseisen - autobanden

Banden moeten de door de voertuigfabrikant voorgeschreven bandenspanning hebben. Controleer daarom regelmatig de in het onderhoudsboekje vermelde bandenspanning. Deze varieert bij verschil in belading.

Auto’s die zijn uitgerust met een noodreservewiel (thuiskomer) mogen -ondanks een afwijkende bandenstraal en karkasstructuur- in geval van nood dit reservewiel gebruiken. Het weggedrag, met name de snelheid (maximaal 80 km per uur), moet dan wel worden aangepast.

Houd er bij de keuze van nieuwe banden rekening mee dat, over het algemeen gesproken, extra brede banden minder snel het water af kunnen voeren dan een normale band. De kans op aquaplaning kan daarom groter zijn.

Bandenlabel

Nieuwe autobanden moeten zijn voorzien van een bandenlabel. Dit label (etiket) laat zien in hoeverre de band zuinig, veilig en milieuvriendelijk is. U kunt deze informatie gebruiken bij de keuze van het soort band voor uw auto.

Het label geeft informatie over 3 belangrijke eigenschappen van een autoband:

  • Het brandstofverbruik.

Minder brandstofverbruik betekent lagere brandstofkosten en minder uitstoot van CO2.

  • De grip op een nat wegdek.

Door een betere grip op het wegdek ontstaat er een verbetering van de remprestatie. Hierdoor kan de remweg worden verkort.

  • Het verkeerslawaai dat de band veroorzaakt.

Dit lawaai geeft overlast aan de omwonenden en de natuur.

Winterbanden

Rubber wordt bij lagere temperaturen harder. Door deze verharding verliezen zomerbanden bij kou de optimale grip op het wegdek. Winterbanden hebben een zachtere rubbersamenstelling en bovendien een ander profiel. Met name onder winterse omstandigheden bij sneeuw en sneeuwmodder presteren winterbanden veel beter dan zomerbanden. In de zomer bij hoge temperaturen zal een zachter rubber harder slijten en heeft u met winterbanden een langere remweg dan met zomerbanden. Verstandig is om de banden te wisselen als de temperatuur constant boven (zomerbanden) of onder (winterbanden) de 6 tot 10 graden Celsius is.

Een winterband is een band die onder winterse omstandigheden goede grip biedt.

Winterbanden hebben naast een zachtere rubbersamenstelling ook een grote hoeveelheid lamellen in het profiel. Een indicatie voor wintereigenschappen van een band is het sneeuwvlok symbool. Het symbool geeft slechts aan dat de band voldoet aan minimale eisen m.b.t. het rijden onder winterse omstandigheden.

Het bandenprofiel moet wettelijk minimaal 1,6 mm zijn, voor winterbanden wordt tenminste 4 mm aanbevolen. De optimale prestatie van een winterband ligt volgens de meeste producenten rond de 7 graden Celsius.

All-season banden

All-season banden presteren in de zomer beter dan winterbanden, maar ook met deze banden zijn de remprestaties bij hoge temperaturen minder dan van zomerbanden. Andersom geldt ook dat all-season banden in de winter beter scoren dan zomerbanden, maar slechter dan winterbanden.

Verlichting voorzijde

Een auto mag -met uitzondering van groot licht- niet zijn voorzien van verblindende verlichting. Een auto moet zijn voorzien van twee grote lichten, twee dimlichten en twee stadslichten. De verlichting moet wit of geel zijn, van gelijke sterkte en goed werken. De dimlichten moeten juist zijn afgesteld.

Uw auto moet aan de voorzijde zijn voorzien van stadslicht, dimlicht, groot licht, richtingaanwijzers, waarschuwingsknipperlichten en een goedgekeurde kentekenplaat.

Dagrijlicht

Sinds 7 februari 2011 moeten nieuw (typegoedkeuring) op de markt gebrachte personenauto’s en lichte bestelauto’s voorzien zijn van dagrijlichten. De dagrijlichten (veelal LEDverlichting) bevinden zich aan de voorkant van de auto, zijn naar voren gericht en stralen wit licht uit. De inrichtingseisen zijn dat deze lichten automatisch gaan branden als de motor wordt gestart.

Als de koplampen of mistlichten worden ontstoken moeten de lichten automatisch doven. Als de dagrijlichten branden is het niet mogelijk dat andere verlichting, zoals achterlichten en kentekenplaatverlichting, ontstoken wordt.

De dagrijlichten beogen de zichtbaarheid van auto’s overdag te verhogen. Door deze maatregel wordt het voeren van verlichting overdag geleidelijk ingevoerd.

Mistachterlicht

Een auto moet voorzien zijn van één mistachterlicht. Een tweede licht is toegestaan. Op het dashboard van de auto moet een controlelampje gaan branden als er mistachterlichten branden.

Achteruitrijlicht

Een auto moet zijn voorzien van één achteruitrijlicht. Een tweede licht is toegestaan. Deze lichten mogen uitsluitend branden als de achteruitversnelling is ingeschakeld en tijdens het achteruitrijden.

Markeringslichten

Een auto die breder is dan 2,10 m moet zijn voorzien van twee witte markeringslichten aan de voorzijde en twee rode aan de achterzijde.

Zijmarkeringslichten

Een auto die langer is dan 6 m moet aan elke zijkant zijn voorzien van ambergele zijmarkeringslichten.

Achterlicht

Een auto moet voorzien zijn van twee (rode) achterlichten die steeds tegelijk moeten branden met het stadslicht, dimlicht, groot licht of mistlicht.

Retroreflectoren

Een auto moet aan de achterzijde zijn voorzien van twee niet-driehoekige rode retroreflectoren.

De retroreflectoren mogen ook in het glas van de achterlichten zijn aangebracht.

Een auto die langer is dan 6 m moet aan elke zijkant zijn voorzien van tenminste twee niet-driehoekige ambergele retroreflectoren.

Remlicht

Een auto moet zijn voorzien van drie remlichten, waarvan er één op het midden van de achterzijde van de auto is aangebracht (auto’s in gebruik genomen vóór 1-10-2001 moeten minimaal twee remlichten voeren). De inrichtingseisen zijn dat de remlichten moeten helder rood licht uitstralen als de bedrijfsrem wordt bediend en moeten uitgaan als er niet meer wordt geremd.

Kentekenplaat

Een auto moet zowel aan de voor- als aan de achterzijde zijn voorzien van goedgekeurde gele GAIK kentekenplaten. GAIK staat voor Gecontroleerde Afgifte en Inname Kentekenplaten. De platen moeten goed zichtbaar en leesbaar zijn en mogen niet geheel of gedeeltelijk zijn afgedekt door bijvoorbeeld een trekhaak of lading.

Kentekenplaatverlichting

Een auto moet gezien de inrichtingseisen aan de achterzijde zijn voorzien van kentekenplaatverlichting. Deze verlichting moet gelijktijdig branden met het stadslicht, dimlicht, groot licht of mistlicht.

Toegestane voorzieningen

Alle auto’s mogen zijn voorzien van:

  • twee mistlichten aan de voorzijde;
  • bochtlichten;
  • hoeklichten;
  • werklichten;
  • zijmarkeringslichten;
  • twee extra richtingaanwijzers aan de achterzijde;
  • één extra zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant;
  • extra waarschuwingsknipperlichten aan de achterzijde;
  • ambergele retroreflectoren aan elke zijkant;
  • twee witte retroreflectoren aan de voorzijde;
  • extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten;
  • parkeerlichten, als de auto niet langer is dan 6 m en/of niet breder is dan 2 m;
  • twee markeringslichten aan de voorzijde en twee aan de achterzijde als de auto breder is dan 1,80 m;
  • een ruitenwisser voor de achterruit.
  • een reservewiel met voldoende profieldiepte (1,6 mm) en een juiste bandenspanning.

Het is raadzaam om steeds een gevarendriehoek, reservelampen, zekeringen en een reservewiel in de auto bij u te hebben.

De App van TOM

App van TOM

De App van TOM is ontworpen om deelnemers uit te dagen door selectieve herhaling en gebruikt slimme opdrachten om kennis te activeren. Wanneer een deelnemer bepaalde kennis minder goed opneemt, wordt deze vaker geoefend. Op deze manier ontstaat per deelnemer een persoonlijk herhalingsschema.

Deze App is een onderdeel van jouw Opleiding van TOM. De App stuurt jouw dagelijks vragen over de theorie die jij op dat moment aan het leren bent. Leer jij vandaag over rotondes en tunnels, dan zul jij morgen vragen kunnen oefenen op je app. Middels een notificatie weet jij dat er weer een oefening voor je klaar staat. Dan kan jij onderweg naar school of je werk deze even oefenen.

TOM Theorie online via app

Theorie oefenen met TOM op je iPhone

De resultaten hiervan worden weer verwerkt in je cursus en zo werk je naar de juiste kennisopname. Alle resultaten kun jij terugvinden in het dashboard in je cursus. Statistieken van deze trainings app laten zien dat wanneer deze wordt ingezet, de cursusresultaten verbeteren. Het is eenvoudig voor deelnemers om te trainen voor hun examen, en deelnemers zullen alles wat zij geleerd hebben tijdens hun cursus ook veel beter en langer onthouden.

Examendatum

De App kan zodanig ingesteld worden dat deze naar een specifieke datum (examen) toe werkt. De app houdt rekening met de voortgang en zal zich aanpassen aan het niveau van dat moment. De app zal een en ander intensiveren als blijkt dat de stof aan het einde van de cursus nog niet voldoende beheerst wordt. Deelnemers aan de cursus kunnen gratis de de app voor iOS en Android downloaden. Op deze manier kunnen zij de MemoTraining maken waar en wanneer zij willen. Het CBR theorie examen is nu binnen handbereik.

de App van TOM

 

 

Alcohol, drugs

Alcohol, geneesmiddelen en DRUGS

Rijden onder invloed

Het rijden onder invloed is een misdrijf. Het is iedereen verboden een voertuig te besturen, of als bestuurder te doen besturen (rij-instructeur of rij-examinator), terwijl hij verkeert onder zodanige invloed van een stof, waarvan hij weet of redelijkerwijs moet weten, dat het gebruik daarvan, al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof, de rijvaardigheid kan verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moet worden geacht. Deze stoffen zijn alcohol, bepaalde geneesmiddelen en drugs. Het negatief effect van geneesmiddelen en/of drugs wordt versterkt in combinatie met alcoholgebruik.

Geneesmiddelen en drugs kunnen uw rijvaardigheid beïnvloeden. Bij gebruik van alcohol kan dit zogenaamdentunneleffect ontstaan.

Werking alcohol

Na het drinken van vijf glazen alcoholische drank bent u ongeveer 7,5 uur onder invloed. Het duurt 1,5 uur voordat de lever een standaard glas bier, wijn of sterke drank heeft afgebroken. Als u ‘s avonds enige glazen heeft gedronken, zit u misschien de volgende ochtend nog niet nuchter achter het stuur. Daarom, als u wilt drinken dan moet u niet rijden, wilt u wel rijden dan moet u niet drinken. De negatieve lichamelijke en geestelijke gevolgen van alcohol en verkeer zijn: u ziet minder, reageert later, u kan zich slecht concentreren en u denkt meestal dat u nog prima kunt rijden.
Bijna alle soorten alcoholische drank, geschonken in de daarvoor bestemde glazen, bevatten nagenoeg dezelfde hoeveelheid alcohol. Frisse buitenlucht, koffie en kauwgom verminderen het alcoholpercentage niet.

BOB Bewust Onbeschonken Bestuurder - Rijden onder invloed

Controle en gevolgen

U bent altijd verplicht medewerking te verlenen aan een ‘voorlopig onderzoek‘, ook als de politie geen alcoholgebruik bij u heeft vastgesteld. Deze verplichting bestaat reeds op het moment dat wordt vastgesteld dat u aanstalten maakt om te gaan rijden. Dit onderzoek bestaat uit een ademtest met een elektronische tester. U moet tijdens deze test alle gegeven aanwijzingen stipt opvolgen.
Geeft de test bij beginnende automobilisten meer dan 0,2 promille of 88 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht aan (één glas alcoholische drank), dan moet u mee naar het politiebureau om de exacte hoogte van het alcoholgehalte vast te stellen met een nauwkeurig ademanalyse-apparaat. Op het bureau moet u tweemaal op een analyse-apparaat blazen om een geldige uitslag te krijgen. De uitslag is direct beschikbaar en geeft aan hoe hoog het alcoholgehalte precies is. Deze uitslag is een officieel bewijsmiddel en kan op de terechtzitting tegen u gebruikt worden.
De wet geeft ook aan dat voor bromfietsers, die nog geen 24 jaar oud zijn, een maximum alcoholpromillage van 0,2 promille of 88 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht geldt. Voor bromfietsers van 24 jaar en ouder geldt dan weer een maximum alcoholpromillage van 0,5 promille of 220 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht.

U bent altijd verplicht mee te werken aan Als het voorlopig onderzoek daartoe aanleiding een voorlopig onderzoek. geeft moet u mee naar het politiebureau om daar verplicht medewerking te verlenen aan een ademtest met een ademanalyse-apparaat.
In sommige gevallen, bijvoorbeeld als u niet kunt blazen of als u onder invloed bent van een andere stof dan alcohol, kan de politie u vragen voor een bloedonderzoek. Als dit onderzoek om medische redenen onwenselijk is, bent u verplicht om medewerking te verlenen aan een urineonderzoek.
De verdere straf (en de mogelijk op te leggen maatregel) is afhankelijk van de hoeveelheid alcohol die bij u wordt gemeten en kan variëren van een geldboete tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Een boete of gevangenisstraf -ook als die voorwaardelijk is- gaat vaak gepaard met een al dan niet voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid. Het spreekt voor zich dat de rechter een veel zwaardere straf oplegt aan iemand die al eerder voor rijden onder invloed is bestraft of die onder invloed van alcohol een aanrijding heeft veroorzaakt waarbij gewonden of doden zijn gevallen. Zo is ook voor rijden onder invloed het puntenrijbewijs ingevoerd, waarbij het rijbewijs na twee opgelopen punten ongeldig wordt verklaard. Zie voor verdere informatie hoofdstuk 34 onder het kopje puntenrijbewijs.
Het weigeren mee te werken aan één van de controles is een misdrijf, wordt dan ook als zodanig bestraft en levert tevens een punt op voor het puntenrijbewijs. Bijna altijd legt de politie bij geconstateerd alcoholgebruik een rijverbod op, dat tot maximaal 24 uur kan oplopen.
Bij beginnende bestuurders kan dat zelfs oplopen tot 26 uur!

Wordt een rijverbod overtreden door toch een voertuig te besturen -dus ook een fiets- dan is er sprake van een misdrijf. In veel gevallen legt de politie niet alleen een rijverbod op, maar vordert zij ook direct het rijbewijs in. In ieder geval als het adem- alcoholgehalte meer dan 570 microgram per liter uitgeademde lucht bedraagt of als de politie vermoedt dat dit het geval zal zijn. Het laatste kan zich voordoen als u niet kunt of wilt blazen. Ook al is het alcoholgehalte van uw adem lager, dan kan de politie toch, in bepaalde gevallen, het rijbewijs direct invorderen.
Verkeert u namelijk onder een zodanige invloed van alcohol, dat daardoor de veiligheid op de weg in gevaar is gebracht (dat kan al gebeuren na het drinken van één glas alcoholische drank) dan moet u uw rijbewijs ook onmiddellijk inleveren. Het is de officier van justitie die -doorgaans binnen tien dagen- beslist over verdere inhouding totdat de zaak voor de rechter komt. De rechter beslist uiteindelijk of u voor langere tijd uw rijbewijs kwijt bent. Tijdens de periode van een ontzegging van de rijbevoegdheid mag u geen enkel motorrijtuig op de openbare weg besturen, ongeacht of daarvoor wel of geen rijbewijs is vereist. Fietsen mag dan wel.

Als u door een rechter voor een misdrijf wordt veroordeeld, hebt u een strafblad.
Een verzekeringsmaatschappij kan schade verhalen op bestuurders die met rijden onder invloed betrokken zijn geweest bij een verkeersongeval. Ook is het mogelijk dat de maatschappij u niet meer wil verzekeren.