• +088- 040 6600
  • info@tomtheorie.nl

Blogarchief

Afslaan

Afslaan

Rechts afslaan

Wilt u naar rechts afslaan, dan moet u:

  • eerst kijken in de binnenspiegel, dan naar voren, in de rechterbuitenspiegel en over de rechterschouder voor de dode hoek;
  • als het veilig is rechts richting aangeven;
  • in de meeste gevallen naar rechts voorsorteren.
  • het rechtdoorgaande verkeer op dezelfde weg -ook voetgangers- voor laten gaan. Voetgangers die ter plaatse bij geel knipperlicht in de vorm van een waarschuwingsdriehoek -op eigen risico- oversteken, hoeft u niet voor te laten gaan. – de bocht naar rechts kort nemen.

Fietsstroken gemarkeerd met een doorgetrokken streep mag u niet gebruiken. Fietsstroken gemarkeerd met een onderbroken streep mag u wel gebruiken, mits u niemand hindert. Dat geldt ook voor het gebruik van een (fiets)suggestiestrook. Houd ook extra rekening met bromfietsers op de rijbaan die rechtdoor gaan.

Links afslaan

Wilt u naar links afslaan, dan moet u:

  • eerst kijken in de binnenspiegel, dan naar voren, in de linkerbuitenspiegel en linksopzij voor de dode hoek;
  • als het veilig is links richting aangeven;
  • voorsorteren naar links. In de meeste gevallen kan het beste tegen de wegas worden voorgesorteerd, waarbij de wielen in de rechtuit stand blijven staan. Dat laatste is veiliger bij een eventuele kop-staart aanrijding.
  • het rechtdoorgaande verkeer op dezelfde weg (ook de voetgangers) voor laten gaan;
  • de bocht naar links ruim nemen.

 

Op wegen met uitsluitend éénrichtingsverkeer (aangeduid door bord C3) en op éénrichtingsrijbanen, kunt u het beste uiterst links voorsorteren.

Op wegen met éénrichtingsverkeer kunt u voor het links afslaan het best uiterst links voorsorteren.

Op wegen met beperkt éénrichtingsverkeer kunt u wel tegenliggers verwachten. Het zijn de voertuigen aangeduid op het onderbord van bord C3 met de tekst ‘uitgezonderd‘.

Afslaan

Op onvolledige éénrichtingswegen kunt u wel de uitgezonderde voertuigen tegenkomen. Daarom moet u zich hier houden aan dezelfde voorschriften als op twee richtingswegen.

U moet zich dan houden aan dezelfde voorschriften als op tweerichtingswegen:

Voetgangers die ter plaatse bij geel knipperlicht in de vorm van een waarschuwingsdriehoek  -op eigen risico- oversteken hoeft u niet voor te laten gaan.

U moet het verkeer, dat op dezelfde weg rechtdoor gaat, voor laten gaan.

Voorsorteren niet verplicht

Bestuurders die willen afslaan mogen voorsorteren. Voorsorteren wordt niet verplicht gesteld. Bestuurders moeten zelf verkeersinzichtelijk beoordelen wanneer zij wel of niet willen voorsorteren, tenzij verkeerstekens dit verplichten. U moet ook voorsorteren in situaties waarbij, als u dit niet doet, een onveilige situatie ontstaat of kan ontstaan of een vlotte doorstroming van het verkeer wordt of kan worden belemmerd. Maar er kunnen ook verkeersomstandigheden zijn, bijvoorbeeld op drukkere wegen en in smalle straatjes, waarbij voorsorteren gevaarlijker is dan niet voorsorteren.

Het voorsorteren voor links gelegen inritten op drukke wegen kan in bepaalde omstandigheden ook gevaar opleveren.

Vrachtauto‘s, zeker met een aanhangwagen, moeten vaak voor krappe bochten naar rechts, eerst naar links uitwijken om vervolgens naar rechts te kunnen afslaan. Daarom zal iedere bestuurder voor het afslaan, naar links of naar rechts verkeersinzichtelijk moeten denken en handelen.

 

Voorsorteerstroken

Uiteraard moet u tijdig bepalen welke richting u op een kruispunt wilt volgen. Bestuurders van motorvoertuigen, bromfietsers die de rijbaan volgen en bestuurders van brommobielen moeten dan gebruik maken van de voorsorteerstrook waarin deze richting wordt aangegeven. Op het kruispunt mag u uitsluitend die richting volgen, die de pijl in de strook aangeeft. Bord L4 (voorsorteren) kan van te voren zijn geplaatst om tijdig aan te geven dat u moet voorsorteren. Is de voorsorteerstrook voorzien van een doorgetrokken streep, dan mag u niet meer van strook veranderen.

 

Voor elkaar langs rijden

Hoewel het RVV 1990 (Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990) dit niet regelt, verdient het meestal de voorkeur dat u voor elkaar langs rijdt als de tegemoetkomende bestuurders op het kruispunt ook naar links willen afslaan.

In de meeste gevallen kunt u op kruispunten het beste en het veiligst voor elkaar langs rijden.

Om elkaar heen rijden

Op kruispunten met een (brede) middenberm verdient het de voorkeur dat u om elkaar heen rijdt als de tegemoetkomende bestuurders op het kruispunt ook naar links willen afslaan.

Op kruispunten in wegen met een brede middenberm moet u meestal om elkaar heen rijden, tenzij tekens op de weg anders aangeven.

Als op kruispunten met pijlen of andere tekens wordt aangegeven dat u voor elkaar langs of om elkaar heen moet rijden, dan moet u dat doen.

Samen dezelfde straat inrijden

Als u op een kruispunt naar links wilt afslaan, dan moet u tegemoetkomende bestuurders die naar rechts afslaan voor laten gaan (Korte bocht gaat voor lange bocht). Dat geldt niet voor bestuurders van trams. Deze moet u voor laten gaan, ongeacht of zij links of rechts afslaan.

U wilt links afslaan en moet de andere bestuurder, die naar rechts wil afslaan, voor laten gaan.

Afbuigende trams

U moet een afbuigende tram altijd voor laten gaan, ongeacht of u rechtdoor gaat of wilt afslaan op dezelfde weg. Dat geldt niet voor voetgangers en bestuurders van gehandicaptenvoertuigen die op een voetgangersoversteekplaats (zebrapad) oversteken of kennelijk op het punt staan dit te doen. Voor kruispunten waar trams rijden wordt u meestal gewaarschuwd door bord J14 tram(kruising).

Militaire colonne en uitvaartstoet van motorvoertuigen

Weggebruikers mogen ook een afslaande militaire colonne of een uitvaartstoet van motorvoertuigen niet doorsnijden. Dat betekent dat u de naar links afslaande uitvaartstoet voor moet laten gaan. Als de militaire colonne of de uitvaartstoet een kruispunt nadert (dus nog niet is opgegaan) moet zij zich houden aan de normale verkeersregels.

U mag de afslaande uitvaartstoet van motorvoertuigen niet doorsnijden. U moet de uitvaartstoet voor laten gaan. Hetzelfde geldt bij een militaire colonne.

Recht doorgaande motorrijders

Let u bij het linksaf slaan vooral op recht doorgaande motorrijders. Ze worden in zulke situaties nogal eens over het hoofd gezien door automobilisten. Probeert u zo ver mogelijk van het kruispunt het tegemoetkomende verkeer te observeren. Motorrijders voeren bijna altijd verlichting. Eén licht in de verte kan dus een motorfiets zijn. U moet er ook rekening mee houden dat de snelheid van de motorrijder in deze gevallen moeilijk is in te schatten. Wacht bij twijfel even met het oversteken.

Signalen

Gebruik van signalen

Signalen. Het op correcte wijze en op het juiste moment signalen geven ter afwending van dreigend gevaar kan voorkomen dat ongevallen ontstaan. Bestuurders met verkeersinzicht en sociaal verkeersgedrag zien meestal het dreigend gevaar tijdig aankomen. En passen zich daarop aan, zodat zij zelden gebruik hoeven te maken van deze signalen.

Gevaarsignaal

Bestuurders mogen slechts geluids- of knippersignalen geven ter afwending van dreigend gevaar. Een geluidssignaal geeft u met een bel of claxon en knippersignalen door snel herhaald in- en uitschakelen van de grote- of dimlichten. Signalen mogen niet langer duren dan nodig is. Wanneer u een geluids- dan wel een knippersignaal moet geven is afhankelijk van de situatie en omstandigheden ter plaatse.

Bijzondere signalen

Bestuurders van motorvoertuigen van politie, brandweer, spoedeisende medische dienstverlening en andere officieel aangewezen hulpverleningsdiensten mogen blauwe zwaai-, flits- en/of knipperlichten en een tweetonige hoorn voeren. Hiermee maken ze kenbaar een dringende taak te vervullen. Zij mogen in die gevallen overdag ook knipperende koplampen voeren.

Signalen Brandweer

Zodra deze bestuurders gebruik maken van deze signalen behoren zij tot de categorie ‘voorrangsvoertuigen’ . En genieten zij de daaraan verbonden voorrechten.

Bestuurders van motorvoertuigen, brommobielen, bromfietsers en snorfietsers mogen met hun voertuig geen onnodig geluid maken.

Andere bijzondere signalen

Bestuurders van motorvoertuigen die officieel zijn aangewezen om werkzaamheden te verrichten, zoals wegwerkzaamheden, sleep- of takelwerkzaamheden, hulpverlening bij ongevallen, sneeuw en gladheidbestrijding, mogen tijdens hun werkzaamheden gele of groene zwaai- en/of knipperlichten voeren. De bestuurders van voorrangsvoertuigen mogen dan in plaats van gele zwaai- en/of knipperlichten blauwe zwaai- en/of knipperlichten voeren.

Geel of groen zwaai-. knipper- of flitslicht

Motorvoertuigen die gebruikt worden bij werkzaamheden aan de weg zoals: sleep- of takelwerkzaamheden, hulpverleningsdiensten bij ongevallen, sneeuw en gladheidsbestrijding mogen een geel zwaai- of knipperlicht gebruiken. De hiervoor genoemde voorrangsvoertuigen zoals politie, brandweer en ambulance, voeren in die situaties ook geel zwaai-, flits- of knipperlicht.

Wanneer een ambulance als eerste bij een grootschalig ongeval aankomt, voert de bemanning daarvan de medische coördinatie uit. Die ambulance zal niet gebruikt worden voor gewondentransport en voert dan als enige een groen zwaai-, flits- of knipperlicht.

Een ambulance die een groen zwaai-, flits- of knipperlicht voert is géén voorrangsvoertuig!

Ongevallen en Verkeer

Risico’s en Ongevallen

Ongevallen en Verkeer zijn situaties waar u natuurlijk liever niets mee te maken wil hebben. Maar als u betrokken bent bij een verkeersongeval en/of brand moet u als u daartoe in staat bent enige maatregelen treffen. Vaak raken mensen in paniek en komen daardoor meestal nog verder in de problemen. Daarom is het belangrijk dat u weet hoe u in zo’n situatie moet handelen.

Ongevallen voorkomen

Zorg dat u de auto veilig kunt gebruiken. Houd daarvoor de ramen schoon, zorg voor voldoende frisse lucht zodat u geconcentreerd kunt rijden. Zorg er ook voor dat u de auto goed kunt bedienen en gebruik de kindersloten als dat nodig is. Ongeveer 15 % van de verkeersongevallen is het gevolg van vermoeidheid. Neem daarom voldoende rust voordat u aan een lange rit begint en neem tijdens de rit regelmatig een pauze (2 uur rijden en 15 minuten rust). Zorg ervoor dat de temperatuur in de auto niet te hoog wordt, warmte werkt slaapverwekkend.

Probeer nooit risico’s te nemen of uw eigen grenzen op te zoeken. Dat kan resulteren in het onderschatten van verkeersrisico’s. En is een van de redenen waarom jonge beginnende bestuurders vaker betrokken zijn bij ongevallen.

De drie factoren die de belangrijkste oorzaak zijn van verkeersongevallen zijn; mens, omgeving en voertuig. De mens is met 92%, de grootste oorzaak is van verkeersongevallen. In 3% van de gevallen is dat het voertuig en in 5% van de gevallen is een ongeval te wijden aan de omgeving. Bij deze factoren spelen de weersomstandigheden ook een belangrijke rol in het verkeer. Regenval geeft een verminderd zicht en voorzichtigheid is dus geboden. Sneeuw geeft ook een verminderd zicht maar zorgt daarnaast ook voor ernstige gladheid waardoor de remweg verlengd wordt. De weggedeelten die het eerste glad worden als het gaat vriezen zijn bruggen en viaducten.

Het gebruik van alcohol, drugs en bepaalde geneesmiddelen is af te raden, omdat deze stoffen nog uren daarna uw rijvaardigheid ernstig kunnen beïnvloeden. Tenslotte is het rijden onder invloed niet alleen gevaarlijk en asociaal, maar ook streng verboden.

Het naderende verkeer waarschuwen

Als na een verkeersongeval de rijbaan geheel of gedeeltelijk geblokkeerd is of als er slachtoffers op de rijbaan liggen, moet het naderende verkeer gewaarschuwd worden en eventueel tot stilstand worden gebracht. Plaats gevarendriehoeken, gebruik de waarschuwingsknipperlichten en laat bij slecht zicht en bij nacht de verlichting branden. Probeer in ieder geval het naderende verkeer duidelijk te maken dat er een ongeval heeft plaats gevonden zodat er niet nog meer ongevallen zullen gebeuren.

Het Europees alarmnummer

Bel onmiddellijk het alarmnummer 112 als de politie of andere professionele hulp nodig is. Bij minder ernstige ongevallen, bijvoorbeeld uitsluitend blikschade, belt u in Nederland 0900-8844. Geef in ieder geval uw naam en telefoonnummer door, zodat men u kan terug bellen als dat nodig is. Belangrijke informatie is ook de exacte plaats van het ongeval, bijvoorbeeld op autosnelwegen de gegevens die staan vermeld op het dichtstbijzijnde hectometerbord, of er doden en hoeveel gewonden er zijn.

Ongevallen en Verkeer 112

Vertel ook of er mensen bekneld zitten, er brandende voertuigen bij zijn en/ of dat er voertuigen met gevaarlijke stoffen bij betrokken zijn. Geef in zo’n geval de nummers door die op de oranje borden staan. Ook andere informatie die u relevant vindt en de reeds genomen maatregelen.

De stand van de voertuigen vastleggen

Als het voor de veiligheid nodig is, moet u, indien mogelijk, de verongelukte voertuigen meteen van de rijbaan verwijderen. U moet dan wel eerst de stand van de voertuigen vastleggen. Gebruik hiervoor krijt, tape of een camera. Dat kan voor alle belanghebbenden achteraf veel duidelijk maken. Probeer in ieder geval een veilige doorgang voor het overige verkeer vrij te houden.

Verzamelen van de nodige gegevens

Noteer of onthoud de belangrijkste gegevens van de tegenpartij. Zoals kenteken, soort en merk voertuig, type, kleur en eventuele bijzonderheden. Vraag aan omstanders of zij getuigen zijn geweest van het ongeval, wat zij gezien hebben en of zij bereid zijn om als getuige op te treden. Maak bij (geringe) blikschade de rijbaan direct vrij en wissel de gegevens uit op de vluchtstrook of, nog beter, rijdt naar de dichtstbijzijnde parkeerplaats.

Ongevallen en Verkeer Mobiel schade melden

Het is ook mogelijk de schade van een verkeersongeval te melden middels de smartphone. Het verbond voor verzekeraars heeft daarvoor de mogelijkheid geschapen via Mobielschademelden.nl

Het invullen van een Europees schadeformulier is dan niet nodig. Let wel, het geldt alleen als er sprake is van blikschade. Is het een ernstig ongeval waarbij gewonden of doden zijn gevallen dan dient het ongeval nog middels het formulier gemeld worden.

Vul het Europees schadeformulier duidelijk in. Beantwoord alle van toepassing zijn de vragen/vakjes, vergeet niets op de situatietekening en plaats uw handtekening onderaan het formulier. Het maakt niet uit of u de vragen bij Voertuig A of voertuig B invult. Laat ook de tegenpartij het formulier invullen en ondertekenen. Als de politie ter plaatse is, maakt zij van het gebeurde een proces-verbaal op en/of legt het vast op een registratieformulier.

Verkeersborden en Verkeersregels

Verkeersborden en verkeersregels

Verkeersborden en VERKEERSREGELS

Verkeersborden en Verkeersregels  is een document van de Rijksoverheid.

Hier ook te downloaden.

i-m-rvv2014-nl

Inrichtingseisen van de auto

Inrichtingseisen AUTO

Inrichtingseisen waar een auto aan moet voldoen . Het ligt voor de hand dat niet alleen eisen worden gesteld aan de bestuurder, maar ook aan het voertuig. Daarom moet een auto voldoen aan enige inrichtingseisen.

Afmetingen en massa’s

Een personenauto mag maximaal 12 m lang zijn, 2,55 m breed en 4 m hoog. Het kentekenbewijs schrijft maximum-aslasten voor; deze mogen niet worden overschreden. Het kentekenbewijs schrijft ook een toegestane maximummassa voor. De totale massa van de beladen auto en de som van de aslasten mag niet meer zijn dan deze toegestane maximummassa.

Remmen

Een auto moet zijn voorzien van een bedrijfsrem (voetrem) die op alle wielen werkt en waarvan de remvertraging ten minste 5,2m/s2 bedraagt. Een auto moet ook zijn voorzien van een parkeerrem (handrem) die op tenminste twee wielen werkt.

Als er een defect aan het remcircuit ontstaat, is het niet zo dat het voertuig niet meer remt, want dan treedt de noodrem in werking d.w.z. als u de bedrijfsrem gebruikt remt deze toch nog (kruislings) op twee wielen. Ontstaat er een defect aan de bedrijfsrem op alle vier de wielen, dan gebruikt u de parkeerrem -die op ten minste twee wielen werkt- als noodrem.

Heeft u een hydraulisch remsysteem, dan mag de slag van het rempedaal niet door een aanslag beperkt worden. Het oppervlak van het rempedaal moet stroef zijn. Bij wielen met een schijfrem mag de remvoering bij draaien in beide richtingen enigszins slepen. Bij een trommelrem mag dat niet.

Bijna alle auto’s zijn voorzien van een Anti Blokkeer Systeem (ABS). Voordeel van dit systeem is dat bij een (nood)remming de wielen niet blokkeren, waardoor de auto bestuurbaar blijft. Dat is dus veel veiliger. Dat houdt niet in dat u dan sneller kunt gaan rijden. Een ABS zorgt niet altijd voor een kortere remweg!

Achteruitrijinrichting

Motorvoertuigen met een toegestane maximummassa van meer dan 400 kg moeten zijn voorzien van een achteruitrijversnelling. Het geluidssignaal dat dan te horen mag zijn is om andere weggebruikers erop attent te maken dat de achteruitrijversnelling van het voertuig is ingeschakeld.

Stuurinrichting

Een auto moet zijn voorzien van een deugdelijke stuurinrichting.

Richtingaanwijzers

Een auto moet 2 ambergele of witte richtingaanwijzers aan de voorkant hebben, 2 ambergele of rode aan de achterkant en, als de auto van 1998 of later is, 2 ambergele zijrichtingaanwijzers aan elke zijkant. Richtingaanwijzers aan de voorkant van de auto tellen ook als zijrichtingaanwijzer als het licht daarvan ook ambergeel is en schuin achter de auto te zien.

Waarschuwingsknipperlichten

Een auto moet zijn voorzien van waarschuwingsknipperlichten.

Claxon

Een auto moet zijn voorzien van een goed werkende claxon met één vaste toonhoogte. Een samenstel van zodanige, tegelijk werkende hoorns wordt als een hoorn beschouwd. Ook mag een geluids signaal aanwezig zijn om andere weggebruikers erop attent te maken dat de achteruitrijversnelling is ingeschakeld, alsmede een geluidssignaal om ongeoorloofd gebruik of diefstal van het voertuig te voorkomen.

Snelheidsmeter

Een auto moet zijn voorzien van een goed werkende snelheidsmeter, die ook bij nacht voor de bestuurder goed afleesbaar is.

Spiegels

Personenauto’s van na 25 januari 2010 moeten zijn voorzien van een linker buitenspiegel, een rechter buitenspiegel en een binnenspiegel. Als bij zo’n auto met de binnenspiegel het achter de auto gelegen weggedeelte niet voldoende kan worden overzien, hoeft deze niet aanwezig te zijn.

Personenauto’s van vóór 26 januari 2010 moeten zijn voorzien van een linker buitenspiegel en een binnenspiegel. Een rechter buiten spiegel is verplicht als met de binnenspiegel het achter het voertuig gelegen weggedeelte niet vol doende kan worden overzien. Als de binnenspiegel geen zicht naar achteren mogelijk maakt, hoeft de binnenspiegel niet aanwezig te zijn. Het spiegelglas mag geen breuken vertonen en niet ernstig zijn verweerd.

1: Dit gedeelte, de zogenaamde dode hoek, ziet u niet in de spiegel. U moet er voor over uw schouder kijken.

2: Het gezichtsveld van de bestuurder in de buitenspiegels.

3: Het gezichtsveld van de bestuurder in de binnenspiegel.

Autospiegels dode hoek

Ruiten

Een auto mag volgens de inrichtingseisen uitsluitend zijn voorzien van een voorruit en zijruiten die geen beschadigingen of verkleuringen (folie) vertonen en mogen niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen die het uitzicht van de bestuurder belemmeren. Als de auto niet is voorzien van een rechter buitenspiegel geldt dat ook voor de achterruit.

Ruitenwissers, ruitensproeier en voorruit verwarming

Personenauto’s met een voorruit moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitenwisserinstallatie die de bestuurder voldoende uitzicht geeft.

Autogordels

Een personenauto in gebruik genomen na 30 september 2000 moet op alle zitplaatsen, naar voren en naar achteren gericht, gordels hebben. Is de auto van na 31 december 1989, maar vóór 1 oktober 2000, dan moet op de naar voren gerichte zitplaatsen een gordel zitten. Is de auto van vóór 1 januari 1990, dan hoeven er alleen gordels te zijn voor de zitplaats van de bestuurder en de zitplaats naast hem, grenzend aan het portier.

Gordels moeten een goed werkende sluiting en blokkeerinrichting hebben. Het oprolmechanisme moet zo goed werken dat de gordel aanligt na het omdoen.

Schokdempers en draagveren

Een auto moet zijn voorzien van goedwerkende schokdempers en draagveren.

Uitlaat en geluiddemper

Een auto met een verbrandingsmotor moet zijn voorzien van een uitlaatsysteem dat over de gehele lengte gasdicht is, met uitzondering van de afwateringsgaatjes. Het uitlaatsysteem moet deugdelijk zijn bevestigd. De uitstoot van schadelijke stoffen mag niet groter worden dan de waarde waarvoor het type auto is goedgekeurd. Hetzelfde geldt voor de geluidsproductie, de waarde vermeld in het kentekenregister mag met niet meer dan 2 dB worden overschreden.

Banden

De inrichtingseisen verlangen dat de wielen van een auto moeten zijn voorzien van luchtbanden. De banden mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is en mogen geen uitstulpingen vertonen. De profilering van de hoofdgroeven van de banden moet over de gehele omtrek van het loopvlak ten minste 1,6 mm bedragen, met uitzondering van slijtage-indicatoren. De banden mogen niet zijn opgesneden en het loopvlak mag geen metalen elementen bevatten (spijkerbanden) die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken. De banden op één as moeten dezelfde maataanduiding hebben.

Inrichtingseisen - autobanden

Banden moeten de door de voertuigfabrikant voorgeschreven bandenspanning hebben. Controleer daarom regelmatig de in het onderhoudsboekje vermelde bandenspanning. Deze varieert bij verschil in belading.

Auto’s die zijn uitgerust met een noodreservewiel (thuiskomer) mogen -ondanks een afwijkende bandenstraal en karkasstructuur- in geval van nood dit reservewiel gebruiken. Het weggedrag, met name de snelheid (maximaal 80 km per uur), moet dan wel worden aangepast.

Houd er bij de keuze van nieuwe banden rekening mee dat, over het algemeen gesproken, extra brede banden minder snel het water af kunnen voeren dan een normale band. De kans op aquaplaning kan daarom groter zijn.

Bandenlabel

Nieuwe autobanden moeten zijn voorzien van een bandenlabel. Dit label (etiket) laat zien in hoeverre de band zuinig, veilig en milieuvriendelijk is. U kunt deze informatie gebruiken bij de keuze van het soort band voor uw auto.

Het label geeft informatie over 3 belangrijke eigenschappen van een autoband:

  • Het brandstofverbruik.

Minder brandstofverbruik betekent lagere brandstofkosten en minder uitstoot van CO2.

  • De grip op een nat wegdek.

Door een betere grip op het wegdek ontstaat er een verbetering van de remprestatie. Hierdoor kan de remweg worden verkort.

  • Het verkeerslawaai dat de band veroorzaakt.

Dit lawaai geeft overlast aan de omwonenden en de natuur.

Winterbanden

Rubber wordt bij lagere temperaturen harder. Door deze verharding verliezen zomerbanden bij kou de optimale grip op het wegdek. Winterbanden hebben een zachtere rubbersamenstelling en bovendien een ander profiel. Met name onder winterse omstandigheden bij sneeuw en sneeuwmodder presteren winterbanden veel beter dan zomerbanden. In de zomer bij hoge temperaturen zal een zachter rubber harder slijten en heeft u met winterbanden een langere remweg dan met zomerbanden. Verstandig is om de banden te wisselen als de temperatuur constant boven (zomerbanden) of onder (winterbanden) de 6 tot 10 graden Celsius is.

Een winterband is een band die onder winterse omstandigheden goede grip biedt.

Winterbanden hebben naast een zachtere rubbersamenstelling ook een grote hoeveelheid lamellen in het profiel. Een indicatie voor wintereigenschappen van een band is het sneeuwvlok symbool. Het symbool geeft slechts aan dat de band voldoet aan minimale eisen m.b.t. het rijden onder winterse omstandigheden.

Het bandenprofiel moet wettelijk minimaal 1,6 mm zijn, voor winterbanden wordt tenminste 4 mm aanbevolen. De optimale prestatie van een winterband ligt volgens de meeste producenten rond de 7 graden Celsius.

All-season banden

All-season banden presteren in de zomer beter dan winterbanden, maar ook met deze banden zijn de remprestaties bij hoge temperaturen minder dan van zomerbanden. Andersom geldt ook dat all-season banden in de winter beter scoren dan zomerbanden, maar slechter dan winterbanden.

Verlichting voorzijde

Een auto mag -met uitzondering van groot licht- niet zijn voorzien van verblindende verlichting. Een auto moet zijn voorzien van twee grote lichten, twee dimlichten en twee stadslichten. De verlichting moet wit of geel zijn, van gelijke sterkte en goed werken. De dimlichten moeten juist zijn afgesteld.

Uw auto moet aan de voorzijde zijn voorzien van stadslicht, dimlicht, groot licht, richtingaanwijzers, waarschuwingsknipperlichten en een goedgekeurde kentekenplaat.

Dagrijlicht

Sinds 7 februari 2011 moeten nieuw (typegoedkeuring) op de markt gebrachte personenauto’s en lichte bestelauto’s voorzien zijn van dagrijlichten. De dagrijlichten (veelal LEDverlichting) bevinden zich aan de voorkant van de auto, zijn naar voren gericht en stralen wit licht uit. De inrichtingseisen zijn dat deze lichten automatisch gaan branden als de motor wordt gestart.

Als de koplampen of mistlichten worden ontstoken moeten de lichten automatisch doven. Als de dagrijlichten branden is het niet mogelijk dat andere verlichting, zoals achterlichten en kentekenplaatverlichting, ontstoken wordt.

De dagrijlichten beogen de zichtbaarheid van auto’s overdag te verhogen. Door deze maatregel wordt het voeren van verlichting overdag geleidelijk ingevoerd.

Mistachterlicht

Een auto moet voorzien zijn van één mistachterlicht. Een tweede licht is toegestaan. Op het dashboard van de auto moet een controlelampje gaan branden als er mistachterlichten branden.

Achteruitrijlicht

Een auto moet zijn voorzien van één achteruitrijlicht. Een tweede licht is toegestaan. Deze lichten mogen uitsluitend branden als de achteruitversnelling is ingeschakeld en tijdens het achteruitrijden.

Markeringslichten

Een auto die breder is dan 2,10 m moet zijn voorzien van twee witte markeringslichten aan de voorzijde en twee rode aan de achterzijde.

Zijmarkeringslichten

Een auto die langer is dan 6 m moet aan elke zijkant zijn voorzien van ambergele zijmarkeringslichten.

Achterlicht

Een auto moet voorzien zijn van twee (rode) achterlichten die steeds tegelijk moeten branden met het stadslicht, dimlicht, groot licht of mistlicht.

Retroreflectoren

Een auto moet aan de achterzijde zijn voorzien van twee niet-driehoekige rode retroreflectoren.

De retroreflectoren mogen ook in het glas van de achterlichten zijn aangebracht.

Een auto die langer is dan 6 m moet aan elke zijkant zijn voorzien van tenminste twee niet-driehoekige ambergele retroreflectoren.

Remlicht

Een auto moet zijn voorzien van drie remlichten, waarvan er één op het midden van de achterzijde van de auto is aangebracht (auto’s in gebruik genomen vóór 1-10-2001 moeten minimaal twee remlichten voeren). De inrichtingseisen zijn dat de remlichten moeten helder rood licht uitstralen als de bedrijfsrem wordt bediend en moeten uitgaan als er niet meer wordt geremd.

Kentekenplaat

Een auto moet zowel aan de voor- als aan de achterzijde zijn voorzien van goedgekeurde gele GAIK kentekenplaten. GAIK staat voor Gecontroleerde Afgifte en Inname Kentekenplaten. De platen moeten goed zichtbaar en leesbaar zijn en mogen niet geheel of gedeeltelijk zijn afgedekt door bijvoorbeeld een trekhaak of lading.

Kentekenplaatverlichting

Een auto moet gezien de inrichtingseisen aan de achterzijde zijn voorzien van kentekenplaatverlichting. Deze verlichting moet gelijktijdig branden met het stadslicht, dimlicht, groot licht of mistlicht.

Toegestane voorzieningen

Alle auto’s mogen zijn voorzien van:

  • twee mistlichten aan de voorzijde;
  • bochtlichten;
  • hoeklichten;
  • werklichten;
  • zijmarkeringslichten;
  • twee extra richtingaanwijzers aan de achterzijde;
  • één extra zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant;
  • extra waarschuwingsknipperlichten aan de achterzijde;
  • ambergele retroreflectoren aan elke zijkant;
  • twee witte retroreflectoren aan de voorzijde;
  • extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten;
  • parkeerlichten, als de auto niet langer is dan 6 m en/of niet breder is dan 2 m;
  • twee markeringslichten aan de voorzijde en twee aan de achterzijde als de auto breder is dan 1,80 m;
  • een ruitenwisser voor de achterruit.
  • een reservewiel met voldoende profieldiepte (1,6 mm) en een juiste bandenspanning.

Het is raadzaam om steeds een gevarendriehoek, reservelampen, zekeringen en een reservewiel in de auto bij u te hebben.

Woonerven

Woonerven

Woonerven bestaan uit één of meerdere straten zonder trottoir, voetpad of fietspad. U moet rekening houden met niet gemarkeerde voorwerpen en onregelmatigheden in de weg, zoals drempels, bloembakken, paaltjes, bomen en speeltoestellen voor kinderen. Deze maatregelen zijn genomen om het karakter van het erf te benadrukken en het verkeersgedrag van bestuurders te beïnvloeden.

Verkeersregels binnen een erf

Voetgangers en kinderen mogen wegen gelegen binnen een erf over de volle breedte gebruiken. Spelen, praatje maken, wandelen en op banken zitten is overal toegestaan. Zij zijn hier de hoofdfiguren. Bestuurders mogen binnen een erf niet sneller rijden dan 15 km per uur. Omdat bestuurders zich (soms onbewust) niet houden aan genoemde snelheid, kunnen ter extra attentie aparte snelheidsborden geplaatst worden.

Woonerven

Verder moet u als bestuurder steeds rekening houden met voetgangers en spelende kinderen. U mag hen niet hinderen of in gevaar brengen. Het rijverkeer is hier dus ondergeschikt aan het voetgangersverkeer. Het kan voorkomen dat u moet stoppen en even moet wachten.

Binnen een erf moet u dezelfde voorrangsregels toepassen als op kruispunten van gelijkwaardige wegen. Dat betekent dat u alle bestuurders van rechts voorrang moet verlenen.

Parkeren

Bestuurders van motorvoertuigen en van brommobielen mogen hun voertuig uitsluitend parkeren op de als zodanig aangeduide of aangegeven voor parkeren bestemde weggedeelten. Deze plaatsen zijn kenbaar gemaakt door bord E4 of door de letter ‘P’ op de weg. Dat geldt ook voor het parkeren van een motorfiets. Deze voertuigen zijn meestal zo omvangrijk dat parkeren buiten de parkeergelegenheden meestal overlast zal opleveren.

Als het erf tevens is aangeduid als parkeerschijfzone, moet u -voor het parkeren van voertuigen- zich houden aan de parkeerregels voor die zones.

Fietsen, snorfietsen en bromfietsen moeten worden geplaatst op het trottoir, voetpad of in de berm. Maar omdat in erven deze weggedeelten ontbreken en de als zodanig aangeduide of aangegeven parkeergelegenheden uitsluitend bedoeld zijn voor motorvoertuigen, mogen zij binnen een erf op alle andere plaatsen worden geplaatst. Natuurlijk op een zodanige wijze dat daardoor geen gevaar of hinder ontstaat of dat de doorgang voor andere weggebruikers wordt geblokkeerd.

Het verlaten van een erf

De in- en uitgang van een erf is meestal uitgevoerd als in- en uitrit (doorlopend trottoir). Als u vanuit een uitrit de weg wilt oprijden moet u alle weggebruikers, dus ook voetgangers, voor laten gaan.

Bromfiets praktijkexamen

Bromfiets PRAKTIJKEXAMEN

Het bromfiets praktijkexamen is vaak je eerst examen bij het CBR. Of misschien is het een herexamen. Check vooraf of je alle benodigde documenten bij je hebt. En zorg dat je op tijd aanwezig bent op het examencentrum. Dat geeft rust.

Meenemen naar het examen

  • Je geldige identiteitsbewijs. Zonder identiteitsbewijs kun je geen examen doen.
  • De officiële uitnodiging voor je praktijkexamen. Hierop staan ook de uitzonderingen genoemd voor de benodigde documenten.

Hoe verloopt het praktijkexamen?

Een praktijkexamen bromfiets duurt 45 minuten. Zorg dat je ruim op tijd aanwezig bent (ongeveer 15 minuten). Dat geeft rust, zo vlak voor je examen. Ga zitten tot je examinator je roept. Je legt het examen af op een bromfiets (geen snorfiets, speed pedelec, trike of quad). Je rijinstructeur mag meerijden (op een eigen bromfiets) en bij het eindgesprek met de examinator aanwezig zijn. Het examen verloopt zo:

  • Je maakt eerst kennis met de examinator. Die legt uit hoe je examen verloopt.
  • Je examinator controleert je identiteitsbewijs. Ook checkt hij of je bent geslaagd voor je theorie-examen. 
  • Je krijgt van de examinator een ontvangertje. Daarmee kun je de aanwijzingen en opdrachten van de examinator tijdens de rit horen.
  • Hierna begint de rit. Die duurt ten minste 25 minuten.
  • De examinator volgt je op een bromfiets. 
  • De examinator toetst of je veilig en zelfstandig kunt rijden. En of je voldoende rekening houdt met andere weggebruikers. De examinator let onder andere op: 
    • je beheersing van de bromfiets
    • kijkgedrag
    • of je goed voorrang verleent
    • inhalen
    • rijden op kruispunten en rotondes

Je krijgt tijdens het examen alle gelegenheid om te laten zien wat je kunt. Helemaal foutloos hoeft niet, het gaat om het totaalbeeld. Belangrijk is hoe je reageert op het overige verkeer en of je de situatie meester bent. Kortom, de examinator bekijkt of je voldoende in huis hebt om veilig en zelfstandig aan het verkeer deel te nemen.

Direct na afloop van de rit krijg je in het CBR-examencentrum te horen of je geslaagd bent.

Hoe verloopt het praktijkexamen?

Een praktijkexamen bromfiets duurt 45 minuten. Zorg dat je ruim op tijd aanwezig bent (ongeveer 15 minuten). Dat geeft rust, zo vlak voor je examen. Ga zitten tot je examinator je roept. Je legt het examen af op een bromfiets (geen snorfiets, speed pedelec, trike of quad). Je rijinstructeur mag meerijden (op een eigen bromfiets) en bij het eindgesprek met de examinator aanwezig zijn. Het examen verloopt zo:

  • Je maakt eerst kennis met de examinator. Die legt uit hoe je examen verloopt.
  • Je examinator controleert je identiteitsbewijs. Ook checkt hij of je bent geslaagd voor je theorie-examen. 
  • Je krijgt van de examinator een ontvangertje. Daarmee kun je de aanwijzingen en opdrachten van de examinator tijdens de rit horen.
  • Hierna begint de rit. Die duurt ten minste 25 minuten.
  • De examinator volgt je op een bromfiets. 
  • De examinator toetst of je veilig en zelfstandig kunt rijden. En of je voldoende rekening houdt met andere weggebruikers. De examinator let onder andere op: 
    • je beheersing van de bromfiets
    • kijkgedrag
    • of je goed voorrang verleent
    • inhalen
    • rijden op kruispunten en rotondes

Je krijgt tijdens het examen alle gelegenheid om te laten zien wat je kunt. Helemaal foutloos hoeft niet, het gaat om het totaalbeeld. Belangrijk is hoe je reageert op het overige verkeer en of je de situatie meester bent. Kortom, de examinator bekijkt of je voldoende in huis hebt om veilig en zelfstandig aan het verkeer deel te nemen.

Direct na afloop van de rit krijg je in het CBR-examencentrum te horen of je geslaagd bent.

Hoe verloopt het praktijkexamen?

Een bromfiets praktijkexamen duurt 45 minuten. Zorg dat je ruim op tijd aanwezig bent (ongeveer 15 minuten). Dat geeft rust, zo vlak voor je examen. Ga zitten tot je examinator je roept. Je legt het examen af op een bromfiets (geen snorfiets, speed pedelec, trike of quad). Je rijinstructeur mag meerijden (op een eigen bromfiets) en bij het eindgesprek met de examinator aanwezig zijn. Het examen verloopt zo:

  • Je maakt eerst kennis met de examinator. Die legt uit hoe je examen verloopt.
  • Je examinator controleert je identiteitsbewijs. Ook checkt hij of je bent geslaagd voor je theorie-examen. 
  • Je krijgt van de examinator een ontvangertje. Daarmee kun je de aanwijzingen en opdrachten van de examinator tijdens de rit horen.
  • Hierna begint de rit. Die duurt ten minste 25 minuten.
  • De examinator volgt je op een bromfiets. 
  • De examinator toetst of je veilig en zelfstandig kunt rijden. En of je voldoende rekening houdt met andere weggebruikers. De examinator let onder andere op: 
    • je beheersing van de bromfiets
    • kijkgedrag
    • of je goed voorrang verleent
    • inhalen
    • rijden op kruispunten en rotondes

Je krijgt tijdens het examen alle gelegenheid om te laten zien wat je kunt. Helemaal foutloos hoeft niet, het gaat om het totaalbeeld. Belangrijk is hoe je reageert op het overige verkeer en of je de situatie meester bent. Kortom, de examinator bekijkt of je voldoende in huis hebt om veilig en zelfstandig aan het verkeer deel te nemen.

Direct na afloop van de rit krijg je in het CBR-examencentrum te horen of je voor je bromfiets praktijkexamen geslaagd bent.

 

bromfiets praktijkexamen

Motor Rijexamen

Motor RIJEXAMEN

Het motor praktijkexamen verkeersdeelneming duurt 55 minuten. Zorg dat je ruim op tijd aanwezig bent (ongeveer 15 minuten). Dat geeft rust, zo vlak voor je examen. Ga zitten tot je examinator je roept. Het examen verloopt zo:

Je maakt eerst kennis met de examinator. Die legt uit hoe je examen verloopt.

motor praktijkexamen

 

Je examinator controleert je identiteitsbewijs. Ook kijkt hij of je bent geslaagd voor het motortheorie-examen in het afgelopen anderhalf jaar of dat je een geldig rijbewijs voor de lichte motor of motor-automaat bij je hebt.

Vervolgens doe je op het parkeerterrein een ogentest. Daarbij moet je het kenteken van een stilstaande auto kunnen lezen op een afstand van ongeveer 25 meter.

Daarna stelt je examinator enkele vragen, ter voorbereiding van de rit. Bijvoorbeeld over het checken van de banden of de remmen. Indien je je goed voorbereid hebt met de theorieopleiding dan zal je dit geen problemen geven

Hierna begint de rit van zo’n 35 minuten. De examinator rijdt in zijn eigen auto achter je aan. 
Naast de examinator zit je rijinstructeur. Die geeft je onderweg de aanwijzingen en opdrachten via het ontvangertje in je helm.

De examinator toetst of je veilig en zelfstandig kunt rijden. En of je voldoende rekening houdt met andere weggebruikers. De examinator let onder andere op:

  • kijkgedrag
  • je plaats op de weg
  • of je de verkeersregels goed toepast
  • of je ook in het verkeer de motor beheerst

Je krijgt tijdens het examen alle gelegenheid om te laten zien wat je kunt. Helemaal foutloos hoeft niet, het gaat om het totaalbeeld. Belangrijk is hoe je reageert op het overige verkeer en of je de situatie meester bent. Kortom, de examinator bekijkt of je voldoende in huis hebt om veilig en zelfstandig aan het verkeer deel te nemen.

Direct na afloop van de rit krijg je in het CBR-examencentrum te horen of je geslaagd bent.

Verkeerstekens op de weg

Verkeerstekens op de WEG

Verkeerstekens op de weg zijn van belang voor iedere weggebruiker. Hieronder een opsomming van de tekens die u tegen kan komen.

Doorgetrokken streep

Een streep zonder onderbrekingen is pas een ‘doorgetrokken streep‘ als hij minstens 20 m lang is. We onderscheiden twee groepen doorgetrokken strepen: kantstrepen en strepen voor het scheiden van rijstroken. Een kantstreep bevindt zich langs de rand van de rijbaanverharding.

Een doorgetrokken streep tussen rijstroken op rijbanen of paden met verkeer in beide richtingen betekent dat u die streep niet naar links mag overschrijden en dat u zich niet links van die streep mag bevinden. Dat mag wel als aan de rechterzijde van de doorgetrokken streep een onderbroken streep is aangebracht. Als de streep zich bevindt tussen rijstroken of op paden voor verkeer in één richting, mag u die streep niet naar links of naar rechts overschrijden. Ook in dit geval mag dat wél als tussen u en de doorgetrokken streep een onderbroken streep is aangebracht.

Bijzondere gevallen

De doorgetrokken streep tussen een vluchthaven of vluchtstrook op een auto(snel) weg en de rechter rijstrook is geen ‘doorgetrokken streep‘ in de zin van het hiervoor behandelde. De streep vormt immers geen scheiding tussen twee rijstroken (een vluchtstrook of vluchthaven is geen rijstrook) en men kan het ook geen kantstreep noemen. In een noodgeval mag u de vluchtstrook of vluchthaven wel gebruiken en dus de streep overschrijden. Is een vluchtstrook opengesteld als spitsstrook dan mag de doorgetrokken streep ook overschreden worden. Voor een kantstreep, die geen scheiding tussen twee rijstroken vormt, gelden de hiervoor behandelde regels ook niet. Een kantstreep mag u overschrijden, bijvoorbeeld om de berm te gebruiken bij pech, om daar te parkeren, of om een inrit in te rijden.

U mag de doorgetrokken streep overschrijden als de spitsstrook open is.

Doorgetrokken en onderbroken streep

Als een rijbaan of pad door een naast elkaar liggende doorgetrokken en onderbroken streep in rijstroken is verdeeld, dan mag u deze strepen overschrijden als u de onderbroken streep aan uw kant hebt. Maar u moet er wel rekening mee houden dat inhalen hier meer gevaar oplevert. Deze twee strepen naast elkaar noemen we ook wel combinatiestreep.

Omdat de streep onmiddellijk links van u een onderbroken streep is, mag u de doorgetrokken streep ook overschrijden.

Onderbroken streep

Er worden overwegend twee soorten onderbroken strepen gebruikt: de onderbroken streep met de verhouding 1:3 die in feite alleen het midden van de rijbaan of het pad aangeeft en de onderbroken streep met de verhouding 3:1 (waarbij de strepen dus drie keer zolang zijn als de onderbrekingen). Deze streep geeft niet alleen het midden aan, maar waarschuwt ook voor het feit dat u bijvoorbeeld bochten, hellingen of andere onoverzichtelijke situaties nadert of dat er een doorgetrokken streep volgt. Deze waarschuwingsstrepen geven dus aan dat u nog voorzichtiger moet zijn dan u al was.

Blokmarkering

Een blokmarkering is een onderbroken streep die u mag overschrijden en geeft de invoeg- en uitrijstroken en splitsingen in wegen aan. Als langs een blokmarkering een doorgetrokken streep is aangebracht, mag u deze markering en streep pas dan overschrijden als u de onderbroken markering aan uw kant hebt. Soms worden met blokmarkeringen voorsorteerstroken aangegeven. Twee rijen blokmarkeringen naast elkaar, dwars over de rijbaan, geven een oversteekplaats voor fietsers, snorfietsers en bromfietsers aan.

Reflectoren

Reflectoren worden beschouwd als scheiding door een onderbroken streep. Op een doorgetrokken streep mogen ook reflectoren worden aangebracht. Deze streep blijft dan toch een doorgetrokken streep.

Kantstrepen

Kantstrepen zijn doorgetrokken strepen langs de kanten van de rijbaan. Deze strepen geven het verloop van de rijbaan aan. U mag deze strepen overschrijden als u in geval van noodzaak gebruik wilt maken van een vluchtstrook, vluchthaven of de berm. U mag deze streep ook overschrijden als u in- en uitritten in of uit wilt rijden of als u wilt parkeren op een parkeerstrook of in de berm.

Gele doorgetrokken streep

U mag uw voertuig niet laten stilstaan langs een gele doorgetrokken streep.

Tijdelijke maatregelen

Bij wegwerkzaamheden is het dikwijls noodzakelijk tijdelijke maatregelen te nemen. Soms worden wegen geheel of gedeeltelijk afgesloten. Weggebruikers zullen dan worden geconfronteerd met ‘werk in uitvoering’. Zij worden hiervoor gewaarschuwd door (matrix)borden. Ter plaatse worden zij geholpen door de aangebrachte bebakening zoals verkeerskegels en tijdelijke gele strepen op het wegdek. Tijdelijk geplaatste of toegepaste verkeerstekens op het wegdek hebben dus de kleur geel en gaan boven de ter plekke aangebrachte andere verkeerstekens op het wegdek. Wanneer er bijvoorbeeld een witte doorgetrokken streep is aangebracht op het wegdek maar bij werkzaamheden ligt er een gele onderbroken streep naast, dan geldt de gele wegmarkering en mag de streep gewoon overschreden worden.

Bij wegwerkzaamheden moet u dus extra goed opletten en snelheid aanpassen. Ook kunnen de tijdelijke strepen glad zijn. Bij omleidingen wordt de route aangegeven door gele borden met een symbool, nummer of letter.

Blauwe streep

Een blauwe streep is aangebracht in een parkeerschijfzone. Als u parkeert langs deze streep, moet u daarom altijd een parkeerschijf gebruiken.

Schuine pijl

De schuine pijl die is aangebracht op een rijstrook vóór verdrijvingsvlakken geeft aan dat u die rijstrook moet verlaten in de aangegeven richting.

Verdrijvingsvlak

Een verdrijvingsvlak is een weggedeelte waarop schuine strepen zijn aangebracht. U mag dit vlak niet gebruiken. De strepen verwijzen u naar die zijde van de rijbaan waar u moet gaan rijden.

Puntstuk

Een puntstuk is een meerhoekig vlak op het wegdek bij splitsingen of samenvoegingen van wegen, rijstroken of rijbanen. Met ‘meerhoekig‘ wordt niet alleen de bekende driehoek bedoeld, maar ook rechthoeken en trapeziumvormige stukken. Puntstukken zijn aangebracht op het wegdek ter geleiding van het verkeer.

Verkeerstekens op de weg

 

Deze puntstukken mogen aan beide zijden voorbij gereden worden. Puntstukken mogen, net als verdrijvingsvlakken, niet worden gebruikt door bestuurders. Dit verbod geldt niet wanneer een bestuurder een spitsstrook volgt en daardoor onvermijdelijk over het puntstuk moet rijden.

Voorsorteerstrook

Als u op een kruispunt een bepaalde richting wilt volgen, moet u als bestuurder van een motorvoertuig of bromfiets gebruikmaken van de aanwezige voorsorteerstrook waarin deze richting met pijlen wordt aangegeven. Is de voorsorteerstrook voorzien van een doorgetrokken streep, L4 dan mag u niet meer van strook veranderen.

Bord L4 kan van tevoren aangeven dat u moet voorsorteren.

Busbaan

Een busbaan is een rijbaan waarop het woord ‘BUS’ of ‘LIJNBUS’ is aangebracht. Als op de rijbaan het woord ‘BUS’ is aangebracht mogen uitsluitend bestuurders van lijnbussen, andere autobussen en trams deze rijbaan gebruiken. Als op deze rijbaan het woord ‘LIJNBUS’ is aangebracht, dan mogen uitsluitend bestuurders van lijnbussen en trams deze rijbaan gebruiken.

Busstrook

Een busstrook is een rijbaangedeelte dat door een doorgetrokken of onderbroken streep van de rijbaan is afgescheiden en waarop het woord ‘BUS’ of ‘LIJNBUS’ is aangebracht. Als op deze strook het woord ‘BUS’ is aangebracht mogen uitsluitend bestuurders van lijnbussen, andere autobussen en trams deze strook gebruiken. Als op deze strook het woord ‘LIJNBUS’ is aangebracht, dan mogen uitsluitend bestuurders van lijnbussen en trams deze strook gebruiken.

Parkeerstroken en parkeervakken

Parkeerstroken en parkeervakken worden met strepen, andere verharding of met de letter ‘P‘ gemarkeerd. U mag uitsluitend op die plaatsen recht en geheel binnen de aangegeven markering parkeren.

Fietsstrook

Een fietsstrook is een gedeelte van de rijbaan dat door een doorgetrokken of onderbroken streep is gemarkeerd en waarop afbeeldingen van een fiets zichtbaar zijn. Het gebruik van deze strook met doorgetrokken streep is verboden voor andere bestuurders, behalve voor (snor)fietsers en bestuurders van een gehandicaptenvoertuig. Het volgen van deze strook met onderbroken streep is voor andere bestuurders wel toegestaan. Vanzelfsprekend mag u daarbij niemand hinderen.

Stopstreep

Een stopstreep is een brede streep die in de dwarsrichting is geplaatst. Als de stopstreep voor u bestemd is, moet u altijd stoppen bij het stopbord, bij een stopteken van een verkeersregelaar, bij een voetgangersoversteekplaats (zebrapad) of oversteek met verkeersbrigadiers en als het verkeerslicht op rood staat. Bij dubbele stopstrepen, de zogeheten opgeblazen fietsstrook, is de voorste streep bestemd voor fietsers en snorfietsers en de achterste streep voor de overige bestuurders.

Stopbord

Een stopbord (B7) waarschuwt dat u een kruispunt nadert waar u eerst vóór het kruispunt moet stoppen en voorrang moet verlenen aan bestuurders (dat zijn alle weggebruikers behalve voetgangers) op de kruisende weg. Voor deze kruispunten is op de weg ook een stopstreep aangebracht.

Haaientanden

Haaientanden zijn voorrangsdriehoeken op de weg. Als u een kruispunt met deze driehoeken nadert moet u voorrang verlenen aan bestuurders op de kruisende weg. Voor deze kruispunten is meestal ook bord B6 geplaatst.

Voorrangsteken

Een voorrangsteken waarschuwt u dat u een kruispunt nadert waar u voorrang moet verlenen aan bestuurders op de kruisende weg. Voor deze kruispunten is ook bord B6 geplaatst en zijn op de weg meestal haaientanden aangebracht.

Voetgangersoversteekplaats

Een voetgangersoversteekplaats (zebrapad) is een markering die in de dwarsrichting van de rijbaan, het fietspad of het fiets/bromfietspad is aangebracht en uit brede witte strepen bestaat.

Andere oversteekplaats

Een andere oversteekplaats is een markering die in de dwarsrichting van de rijbaan, het fietspad of het fiets/bromfietspad is aangebracht en die uit smalle onderbroken strepen (kanalisatiestrepen) bestaat (bijvoorbeeld een oversteekplaats voor voet- gangers, fietsers en snor/bromfietsers).

Verkeersdruppel

Verkeersdruppels zijn druppelvormige vlakken die de functie hebben van een (getekende) vluchtheuvel.

Zigzagstreep

De zigzagstreep betekent dat u snelheid moet minderen omdat u een gevaarlijk punt nadert.

Maximumsnelheid

Een aanduiding van de maximumsnelheid op borden wordt soms ondersteund door een aanduiding op het wegdek.

Tunnelteken

Bewegwijzering in een rij- of voorsorteerstrook kan u op onbekende plaatsen zekerheid geven over uw geplande reisbestemming.

Een tunnelteken in een rij- of voorsorteerstrook geeft aan dat die strook bestemd is voor bestuurders die de rijstrook naar de tunnel willen volgen.

Verkeerslichten

Verkeerslichten

Driekleurige verkeerslichten

Wordt het verkeer geregeld door middel van driekleurige verkeerslichten, dan is de betekenis van:

  • groen licht: doorgaan;
  • geel licht: stop, bestuurders die het licht zo dicht genaderd zijn dat stoppen redelijkerwijs niet meer mogelijk is: doorgaan; – rood licht: stop.

Als in een driekleurig verkeerslicht of in een daaraan toegevoegd éénkleurig verkeerslicht een verlichte pijl zichtbaar is, geldt het licht uitsluitend voor de door de pijl aangegeven richting.

Bij een groene verlichte pijl is er dan in principe een vrije route. Let echter goed op bestuurders die net door rood rijden!

Als onder of bij een driekleurig verkeerslicht een bord is geplaatst met de tekst ‘rechtsaf voor fietsers vrij‘ gelden het gele en rode licht niet voor rechtsafslaande fietsers, snorfietsers en bestuurders van gehandicaptenvoertuigen. Zij moeten dan het overige verkeer ter plaatse voor laten gaan.

Op plaatsen waar bromfietsers op een fiets-/bromfietspad rijden kan bij driekleurige verkeerslichten een bord zijn geplaatst met de tekst ‘rechtsaf voor (brom)fietsers vrij‘.

Als de verkeerslichten niet werken, knippert meestal het gele licht. Dat betekent: gevaarlijk punt, voorzichtigheid geboden. Vaak zijn bij kruispunten verkeersborden geplaatst die dan de voorrang regelen. Als deze borden niet zijn geplaatst, dan gelden onder die omstandigheden ter plaatse de normale voorrangsregels.

Militaire colonne

Bestuurders van een motorvoertuig van een militaire colonne die het verkeerslicht bij groen licht is begonnen te passeren, mogen blijven doorgaan ook nadat een andere kleur licht zichtbaar is geworden.

Weggebruikers voor wie het verkeerslicht op groen springt, moeten wachten tot de gehele colonne voorbij is.

Als u zich tussen de colonne heeft gevoegd, bijvoorbeeld door een inhaalmanoeuvre, maakt u geen deel uit van de militaire colonne en moet u wel stoppen voor een geel of rood verkeerslicht.

U behoort met uw auto niet tot de militaire colonne. U moet stoppen voor het rode verkeerslicht.

De verplichting om bij een geel of rood verkeerslicht te stoppen geldt niet voor bestuurders van voorrangsvoertuigen.

Tweekleurige verkeerslichten

Tweekleurige verkeerslichten betekenen:

– geel licht: stop, bestuurders die het licht zo dicht genaderd zijn dat stoppen redelijkerwijs niet meer mogelijk is: doorgaan; – rood licht: stop.

 

Tweekleurig Verkeerslicht

Deze tweekleurige verkeerslichten worden vaak toegepast op plaatsen waar ze slechts incidenteel in werking hoeven te zijn, zoals bij bruggen en oversteekplaatsen. Ze staan ook bij uitritten van politie, brandweer, ziekenhuizen en GGD waar vaak bestuurders van voorrangsvoertuigen in- en uitrijden.

 

Aftelverkeerslichten

In verband met een vlottere doorstroming van het verkeer zijn er op diverse plaatsen in ons land zogenoemde aftelverkeerslichten geplaatst. Tenminste drie seconden voor het licht op groen springt gaat er, zichtbaar op het verkeerslicht, een teller lopen. Het systeem zorgt er voor dat de voorste bestuurder in de rij een halve seconde eerder vertrekt en er gaan ook meer voertuigen door die groene fase. Hierdoor wordt dus de capaciteit van een kruispunt vergroot.

Aftelverkeerslichten hebben het doel de doorstroming te bevorderen.

Tram- en buslichten

Tram- en buslichten moeten worden toegepast bij drie of tweekleurige verkeerslichten -als ter plaatse voor trams en/of lijnbussen en autobussen een eigen ruimte, gescheiden van het overige verkeer, beschikbaar is- of als ter plaatse bestuurders van trams en/of lijnbussen en autobussen vanuit een rijstrook een richting mogen volgen die aan het overige verkeer in die rijstrook niet is toegestaan. Deze lichten gelden natuurlijk ook voor bestuurders van andere voertuigen die een busbaan of busstrook volgen waar tram/buslichten staan. Denk bijvoorbeeld aan een taxi.

Door middel van de lampjes wordt aangegeven welke richting wordt geregeld:

  • rechtsboven en linksonder wit licht of wit knipperlicht:

bestuurders van trams, lijnbussen en andere autobussen mogen rechts afslaan;

  • linksboven en rechtsonder wit licht of wit knipperlicht:

bestuurders van trams, lijnbussen en andere autobussen mogen links afslaan;

  • linksboven en rechtsboven en middenonder wit licht of wit knipperlicht:

bestuurders van trams, lijnbussen en andere autobussen mogen links en rechts afslaan;

  • middenboven en middenonder wit licht of wit knipperlicht:

bestuurder van trams, lijnbussen en andere autobussen mogen rechtdoor gaan;

  • linksboven en middenboven en middenonder wit licht of wit knipperlicht:

bestuurders van trams, lijnbussen en andere autobussen mogen rechtdoor en links afslaan;

  • rechtsboven en middenboven en middenonder wit licht of wit knipperlicht: bestuurders van trams, lijnbussen en andere autobussen mogen rechtdoor en rechts afslaan;
  • middelste geel licht:

bestuurders van trams, lijnbussen en andere autobussen moeten stoppen. Bestuur ders die het licht zo dicht genaderd zijn dat stoppen redelijkerwijs niet meer mogelijk is: doorgaan;

  • middelste rij, links en rechts rood licht: bestuurders van trams, lijnbussen en andere autobussen moeten stoppen.

Er kunnen op kruispunten meerdere tram-/buslichten zijn geplaatst, zodat verschillende rijrichtingen tegelijk kunnen worden geregeld.

Overweglichten

Als overwegen voorzien zijn van lichten dan betekent: – wit knipperlicht: er nadert geen trein; – rood licht of rood knipperlicht: stop.

Bruglichten

Als bruggen voorzien zijn van lichten betekent:

  • rood licht of rood knipperlicht: stop.

Rijstrooklichten

Als boven rijstroken lichten zijn aangebracht dan betekent:

  • een verlichte groene pijl of maximumsnelheid: de rijstrook mag worden gebruikt met inachtneming van de aangegeven maximumsnelheid;
  • een verlicht rood kruis: de rijstrook mag niet worden gebruikt. Een verlicht rood kruis boven een spitsstrook (zie de onderdelen SPITSSTROOK) betekent dat de vluchtstrook alleen in noodgevallen mag worden gebruikt.

Het negeren van een rood kruis valt inmiddels onder de zogenoemde ‘hufterfeiten’. Dat betekent dat deze overtredingen via het strafrecht worden afgehandeld. Dat houdt in dat er naast een geldboete ook andere straffen en maatregelen kunnen worden opgelegd, zoals gevangenisstraf en intrekking van het rijbewijs.

  • een verlicht wit einde teken: einde van alle op een elektronisch signaleringsbord aangegeven verboden;
  • een verlichte witte tekst ‘BUS‘:

de rijstrook is bestemd voor bestuurders van lijnbussen en van andere autobussen;

  • een verlichte witte tekst ‘LIJNBUS‘: de rijstrook is uitsluitend bestemd voor bestuurders van lijnbussen;
  • een verlicht waarschuwingsbord: waarschuwingsborden geven aan waarom u voorzichtiger en/of langzamer moet gaan rijden bijvoorbeeld bij file, ongeval, slecht zicht door sneeuw, regen, mist, ijzel of sneeuw;
  • een verlichte witte tekst ‘FILE‘:

Naast rijstrooklichten boven rijstroken kunnen er ook verlichte teksten naast de weg zijn aangebracht zoals bijvoorbeeld  ‘file‘.

Gele knipperlichten op lichtbakken vragen extra aandacht voor de gegeven adviezen of waarschuwingen.

Als er op zowel de rijstrooklichten als de verkeersborden een maximumsnelheid wordt aangegeven, geldt de laagste aangegeven maximumsnelheid.

Boven de weg kan ook een verlichte tekst met route-informatie worden aangegeven. Zo’n elektronisch matrixbord heet ‘Dynamisch Route Informatie Paneel‘ en geeft informatie over de komende route.

Voetgangerslichten

Als voetgangersoversteekplaatsen zijn voorzien van lichten dan betekent:

  • groen licht: voetgangers mogen oversteken;
  • groen knipperend licht: voetgangers mogen oversteken, maar het rode licht verschijnt spoedig;
  • rood licht: voetgangers mogen niet meer beginnen met oversteken, reeds overstekende voetgangers moeten zo snel mogelijk doorlopen.

Het rode licht kan worden vervangen door een geel knipperlicht in de vorm van een waarschuwingsdriehoek. Het geeft aan dat voetgangers op eigen risico mogen oversteken, mits zij het overige verkeer ter plaatse -ook het afslaande verkeer- voor laten gaan. Voetgangers die liever willen oversteken als het rijdende verkeer rood licht heeft kunnen wachten op het groene voetgangerslicht, want dat blijft gehandhaafd.

Voetgangerslichten kunnen voorzien zijn van een rateltikker. Blinden en slechtzienden kunnen daarmee horen of zij veilig kunnen oversteken. Als het voetgangerslicht op rood staat, is een tikkend geluid te horen. Staat het voetgangerslicht op groen, dan is een snel tikkend, ratelend geluid te horen.

Als bij verkeerslichten een drukknopinstallatie voor voetgangers is geplaatst, dan moeten voetgangers eerst op de drukknop drukken om groen licht te krijgen. Bij deze installaties is meestal het gele drukknopbord geplaatst.

Geel knipperlicht

Een geel knipperlicht betekent:

– gevaarlijk punt: voorzichtigheid geboden.

U nadert dan bijvoorbeeld een oversteekplaats, een onoverzichtelijk kruispunt of een wegopbreking. Meestal is het veiliger om uw snelheid te minderen en extra voorzichtig het gevaarlijke punt te naderen.